zondag 12 juni 2016

In Opgrimbie vind ik mijn rust

Verslag van een vier dagen durend verblijf in het monasterium van Betlehem (7-11 juni 2016)

Het verblijf was afgesproken per brief, dat hadden de zusters liever dan de opdringerige telefoon of de snelle maar kille e-mail. De monasteria van Betlehem hebben trouwens wel een sobere website, maar voor zover mij bekend, geen e‑mailadres. Dat typeert deze monialen: liever de trage maar zoveel persoonlijker brief dan de snelle mail. Hun antwoord stuurden de zusters mij trouwens ook per brief, en dat niet uit een schrijfmachine of printer, maar lekker ouderwets met de hand geschreven. Zeg nu zelf, wat krijg jij liever van een vriend of vriendin: een mail of sms, of een handgeschreven brief?

Bij aankomst bleek bovendien dat ik niet enkel geen toegang had tot het  internet, maar zelfs geen bereik voor mijn mobiele telefoon. Het gaat er de zusters niet om de moderne communicatietechnieken buiten de deur te houden, alsof dat een waarde op zich zou zijn. Neen, het weren van gsm en internet dient een ander doel, en dat is het creëren van de meest optimale omstandigheden voor de ontmoeting met de Ander die binnen in je huist, en die slechts kan plaatsvinden in de meest volledige stilte. Alles wat druk en verontrustend is, moet worden geweerd. Dat blijkt al onmiddellijk uit de architectuur van de gebouwen. Bij mijn eerste, korte bezoek aan het klooster enkele maanden geleden voelde ik heel lijfelijk de weldoende invloed van de gebouwen op mijn lichaam en geest. Bij het zien en betreden ervan kwam er een zalige rust over mij, zoals een kind die moet voelen wanneer het zich in de armen van zijn moeder mag vleien. Thuiskomen, ja dat was het – op een hevige, intense manier.

Dat gevoel werd alleen maar sterker toen de gastenzuster mij rondleidde en me achtereenvolgens de kerk, de hulpkeuken, het vertrek van de aalmoezenier, de expositieruimte, de crypte en ten slotte de kluis toonde waarin ik mocht verblijven. Die kluis vond ik zonder meer sensationeel door haar schoonheid en innigheid. Ze was volledig in hout opgetrokken en voor elk van de vijf activiteiten – bidden, lezen, werken, eten en slapen - was er een aparte ruimte voorzien. De grootste ruimte, het oratorium, besloeg zowat een derde van de totale oppervlakte. Ze vormde het kloppende hart van de kluis. Zoals in de kerk was ook in dit oratorium een verdieping uitgespaard, waarop je bijvoorbeeld ’s nachts kon gaan bidden zonder daarvoor de trap af te moeten; de plek was immers maar drie meter verwijderd van je bed. Ook de ochtendlijke lectio divina, de meditatieve lezing van het Woord van God, en de kleine getijdengebeden overdag konden daar plaatsvinden.

De benedenruimte was verder verdeeld in een werkruimte met wasplaats en toilet en, bij het betreden van de kluis, wat heette een “Ave Maria”. Dat was een halletje met een icoon van de Moeder met Kind, met een bloemetje en gewijd water erbij. Steeds als je de kluis betrad bad je voor die icoon heel traag en aandachtig een Weesgegroet.

Op de verdieping was er, behalve de bidplek, ook de slaapplek, door de zusters cubiculum genoemd. Ernaast was er een douche. Maar vooral was er de eetplek: een mooie tafel met aangebouwde kastjes om brood, beleg en drankjes in te bewaren. Op de tafel steeds een mooi gevulde fruitmand. De tafel was zo voor het raam geplaatst, dat je steeds je blik kon verliezen in de heerlijke Kempense bossen – de bossen waarin ik als kind ben opgegroeid.

De zusters van Opgrimbie hebben hun monasterium de naam “Onze-Lieve-Vrouw van het Fiat” gegeven. “Fiat”, dat betekent: “Het zij zo!” – “Laat het maar gebeuren zoals U het beschikt!”. In het schamele tuintje dat bij mijn kluis hoorde, stond pal in het midden een mooi polychroom beeld van een beminnelijke Maria, die haar geopende handen in de schoot liet rusten. Met zo’n beeld alleen al kan je gemakkelijk een gans uur meditatief bidden…

Elke kluis had haar eigen naam. De zusters noemden de kluizen met de beginletter van hun naam. Ik kreeg kluis “I” toegewezen, voluit: “In God vind ik mijn rust” en dat klopte voor mij hier in Opgrimbie helemaal! Andere kluisnamen waren: “H‑ier woon ik. Hier heb ik mijn wens”, “J‑a mijn schild zijt Gij” en “K‑omt laat ons aanbidden”, om er slechts enkele te noemen.

Het monasterium “Onze-Lieve-Vrouw van het Fiat” is gebouwd binnen de omheining van het koninklijk domein, een buitenverblijf dat koning Boudewijn en koningin Fabiola vaak bezochten. Het was hun uitdrukkelijke wens dat dit klooster hier zou gebouwd worden. In 1999 was het zo ver. Het is tot nu toe nog steeds het enige monasterium in België dat deel uitmaakt van de monastieke Familie van Betlehem, Maria-ten-hemel-opgenomen en de heilige Bruno. Deze congregatie werd op 6 oktober 1998, op het feest van de heilige Bruno, tot pauselijk recht verheven. De eerste stichting dateert van november 1950 in het bisdom Grenoble. Momenteel zijn er monasteria in alle werelddelen; de meeste ervan bevinden zich in Frankrijk. De leden van deze congregatie volgen de regel van de heilige Bruno, ordestichter der kartuizers. Het meest kenmerkend is dat zij, naar het voorbeeld van de laurieten in het christelijke Palestina van de vierde eeuw, leven in kluizen die, geschaard rond elkaar, een kloostergemeenschap vormen.

Veruit de meeste tijd brengen de monialen door in de stilte en eenzaamheid van hun kluis. Zij komen alleen ’s morgens samen in de kerk voor het zingen van de Metten en Lauden, en ’s avonds voor het zingen van de Vespers en het vieren van de Eucharistie. De overige gebedstijden onderhouden zij in hun kluis. Samen eten doen zij enkel op zondag; dan is er ook tijd voor ontspanning en uitwisseling. Wie ooit de film “De grote stilte” zag over het leven van de kartuizermonniken in La Grande Chartreuse, kan zich een goed beeld vormen van de manier waarop ook in Opgrimbie het dagelijkse leven verloopt.

Op nog een andere manier is het monasterium van Betlehem in België uniek. Voor zover mij bekend is er geen enkel ander klooster waarin de katholieke en de byzantijnse liturgie zozeer in elkaar vervlochten zijn. Hier geen sprake meer van twee evenwaardig naast elkaar bestaande liturgieën, zoals in de abdij van Chevetogne, die op oecumenisch-liturgisch vlak baanbrekend is geweest. De monasteria van Betlehem gaan nog een stap verder. Er is nog slechts één liturgie waarin zowel gregoriaanse als byzantijnse en zelfs koptische gezangen weerklinken. Ook in het woord wordt even vlot overgeschakeld van katholieke naar oosters-orthodoxe hymnen en gebeden. Wel verloopt de liturgie volledig in het Nederlands. (Soms ook in het Frans, wanneer de Franstalige gasten het Nederlands onkundig zijn). De eucharistie volgt de katholieke ritus, zoals elke Vlaamse parochie die kent.

Sinds ik in het Gentse Leerhuis van de Kerkvaders - een gezamenlijk initiatief van zowel de vormingsdienst van het bisdom Gent als de orthodoxe Gentse Sint-Andreasparochie – vijf jaar lang lessen volgde in de geschiedenis en geschriften van het oude, onverdeelde christendom, ben ik bijzonder gevoelig geworden voor alles wat bijdraagt tot de toenadering van de sinds duizend jaar gescheiden oosterse en westerse kerk. Wij hebben ontzaglijk veel van elkaar te leren! Dat in Opgrimbie op zo een complexloze manier wordt gebeden op de wijze van de oeroude, onverdeelde kerk, ontroert mij zeer.

Tijdens mijn verblijf bij de zusters trappistinnen van Klaarland, half april, ontdekte ik de zalige Italiaanse zuster Maria Gabriella, gestorven op 25‑jarige leeftijd in 1939. Vier jaar eerder was zij ingetreden bij de trappistinnen van Grottaferrata nabij Rome. Toen zij ongeneeslijk ziek bleek, droeg zij haar leven op voor de hereniging in Christus van alle verdeelde christenen. Haar foto heeft sindsdien een vaste plaats in mijn agenda en zo is zij ook vandaag getuige van wat ik meemaak hier in Opgrimbie. Overigens bekleedt haar patroonheilige, de aartsengel Gabriël, in dit klooster een voorname plaats. Want hij was het die de boodschap van haar aanstaande zwangerschap bracht aan Maria, waarop die zei: “Fiat!” – “Mij geschiede naar uw woord!”. Een levensgroot beeld van Gabriël siert het voorportaal van de kerk, naast een beeld van de heilige Jozef, bruidegom van Maria. En bij het binnentreden van de kerk sta je meteen oog in oog met twee grote iconen: die van de aartsengelen Michaël en Gabriël.

Op nog een andere manier heeft zuster Maria Gabriella, naar ik aanneem, de hand gehad in wat mij in de voorbije week overkwam. Maandag begon immers de maand ramadan, de vastenmaand van de moslims. En laat ik in mijn bagage nu net een boek mee hebben: “De kern van de Koran”! Wat ik daarin voor verbazends en verblijdends heb ontdekt, is stof voor een volgend stukje.

Etienne Eertmans

11 juni 2016

1 opmerking:

  1. Ik begrijp heel goed dat hoe stilte en discipline tot vrijheid leiden. Strikte gebedstijden bedden je in, waardoor je sneller rust vindt.

    BeantwoordenVerwijderen