zondag 21 augustus 2016

My own private Cammino - verslag van een Italiëreis

In de zevende nis, niet ver van de Heilige Grot, bevond zich een beeldje van Franciscus met vogels rustend op zijn armen en schouders en een wolf zittend aan zijn voet. Op het bijschrift stond te lezen: ‘Steen met de voetafdruk van een Engel die in mensengedaante aan de poverello verscheen’.  (28 juli 2016)

Zaterdag 23 juli 2016 – Een moeizaam begin

De start van mijn eigen private reis naar Rome om daar in gezelschap van eenenvijftig anderen de veertiendaagse voettocht aan te vatten in het spoor van de heilige Franciscus, begon zeer tumultueus. Ik was de avond voordien uitgeput naar bed gegaan, maar was om 2:30 uur alweer opgestaan om tegen 5:15 uur toch zeker klaar te zijn om mijn huis in Lier te verlaten. Nu moet je weten dat ik de weken voordien niets anders had gedaan dan de spullen die ik op de reis dacht nodig te hebben op een grote hoop gooien op de slaapkamervloer. Nooit zou ik dat allemaal naar Italië kunnen verhuizen binnen de gestelde bagagevoorschriften. Om er met een wakker hoofd aan te kunnen beginnen, begon ik in het holst van de nacht met vooreerst uitgebreid te douchen en te ontbijten. Vervolgens koos ik muziek uit om tijdens de tocht op mijn draagbare radio- en cassettespeler te beluisteren. (Het kwam er achteraf op geen enkel moment van). Daarna koos ik een aantal boeken uit die ik zeker als reisliteratuur mee wou hebben. (Ook van het lezen daarvan kwam totaal niets in huis). Zo, dat waren ten minste de meest elementaire zaken! Dan nog even mijn Facebookpagina checken, je weet maar nooit wie er nog een interessant nieuwtje had gepost zo midden in de nacht.

Tegen 4:15 uur begon het tot me door te dringen dat ik weleens aan het vullen van de reistas mocht beginnen. Al meteen stootte ik in de piramide van kampeerspullen op een hoop overbodige dingen. Of liever, het kon misschien allemaal wel bruikbaar zijn, maar het was gewoon te veel. Een selectie drong zich op. Nu werd het pas echt moeilijk! Maar zo ken je Etienne nog niet: precies om 5:10 uur stond alles klaar in de gang om naar buiten gedragen te worden. Hadden de selectie niet gehaald: een jas, een slaapzak, een heuptasje en nog wat spulletjes, van het bestaan waarvan ik me pas een uur later met een schok bewust zou worden. De reistas moest nu eenmaal dicht; met een halfopen reistas kan je het vliegtuig niet op – moeilijker is dat niet.

Om 5:30 uur stond ik in het station van Lier klaar op perron 2, wachtend op een trein die niet kwam. Zelfs op een zaterdagochtend op dit onheilig uur slaagde onze nationale spoorwegmaatschappij er niet in om een trein op tijd te doen rijden! Tandenknarsend stond ik toe te kijken hoe het dieseltreintje uit de Kempen op zijn dooie gemak tien minuten te laat het station binnentufte. De overstap in Berchem kwam toen al reëel in gevaar. Op de koop toe had ik intussen de gelegenheid gehad om te ontdekken dat het papiertje waarop de overstaptijden en de vluchtinformatie voor Zaventem stonden genoteerd, thuis was blijven liggen. Ik moest dus op mijn blote geheugen vertrouwen!

Op weg naar Berchem station doorzocht ik nog een keer mijn hele bagage, bestaande uit één reistas en één rugzak. Dan pas werd duidelijk hoeveel erger de situatie in feite wel was: ik had mijn portefeuille, met daarin mijn bankkaart, identiteitskaart en nog wat los geld eveneens op de keukentafel laten liggen! Platgeslagen door die vaststelling stapte ik in Berchem van de trein. Wat deed het er nog toe dat de trein naar Vilvoorde intussen al was vertrokken? Alles was nu toch verloren! Op tien minuten tijd volbracht ik met de dood in het hart mijn eerste Franciscaanse oefening: ik aanvaardde dat de reis waarnaar ik al zoveel maanden had verlangd niet in 2016 zou plaatsvinden.

Reeds wachtend op perron 5 om er de trein terug naar Lier te nemen, schoot het me te binnen dat ik het droevige feit ook best zou melden aan de reisleiding. Jan Decoene nam op, aanhoorde mijn intrieste boodschap en antwoordde met stoïcijnse kalmte: “Geen sprake ervan dat je niet zou meegaan. Neem gewoon een taxi, laat je terug naar huis voeren en daarna naar de luchthaven. Weet dat je nog ruim genoeg tijd over hebt daarvoor!” Hoe dom van mij om aan die eenvoudige oplossing niet eens te denken! Dat komt ervan als je nooit in je leven een taxi neemt. Dan bestaan zo’n dingen gewoon niet voor je.

Ik rende het station uit, liep er helemaal om heen (en dat is in Berchem best een heel eind) maar vond geen enkele taxi. Wat kon ik anders doen dan met de trein terug te keren naar Lier en daar mijn geluk te beproeven? Alsof de NMBS ermee spotte, bracht het identieke dieseltreintje waarmee ik naar Berchem was getufd, me naar Lier terug. Daar trof ik voor het station welgeteld één taxi aan; de bestuurder maakte zich net klaar om zonder passagier te vertrekken, want zijn nachtshift zat erop. Juist op tijd kon ik hem aanspreken en mijn hoge nood verklaren aan zijn op dat ogenblik onmisbare hulp. De man deed niet moeilijk en liet mij instappen. In een oogwenk bracht hij mij naar de Guldensporenlaan, waar ik vaststelde dat mijn identiteitskaart zich niet in mijn portefeuille bevond bij het geld en de andere papieren, maar netjes apart in de vervloekte heuptas (die ik pas de dag voordien had gekocht). Ik had geen tijd om erover na te denken hoe dat zo was gekomen; we moesten onmiddellijk naar de luchthaven rijden en de chauffeur deed dat met bekwame spoed. Tegen honderdvijftig per uur scheurden wij over de autoweg.

Nu beschikten G’d en Sint‑Franciscus het zo dat ik in de taxi naast een man zat die al vier jaar mijn naaste buur bleek te zijn, zonder dat één van ons beiden dat had beseft. Zoevend op vier wielen voerden wij een alleraangenaamst gesprek, waarin we elkaar uitgebreid vertelden over onze families en onze kinderen. Precies op tijd kwamen we in Zaventem aan, waar ik me bij de anderen kon voegen alsof er geen vuiltje aan de lucht was geweest. De Italiëreis kon beginnen!

Niettemin moest ik nog enkele helse uren doorstaan. Ik ben hooggevoelig en de drukte van de luchthavens in Zaventem en Rome vormde een waar bombardement van prikkels op mijn weke gestel. Ik vraag hierbij om excuus aan alle reisgenoten tegenover wie ik mij toen al, bij het prille begin, nukkig heb getoond. Op de bus van Rome naar La Romita di Cesi, onze eigenlijke startplaats, ging het al heel wat beter. Het was hoe dan ook een prettig weerzien met een aantal tochtgenoten die ik eerder al, tijdens het voorbereidingsweekend op 21 en 22 mei in Béresménil nabij La Roche-en-Ardenne, had ontmoet.

De bus bracht ons tot op de parking aan de voet van de Monti Arnoldi, waarop het kloostertje van La Romita di Cesi is gebouwd. Bij die parking, in de Terni‑vallei, liggen de Romeinse ruïnes van Carsulae. Wat nu het kloostertje is bovenop de berg, was in de oudheid verbonden met die ruïnes. Het geheel was een cultusplaats voor Moeder Aarde, waar de vruchtbaarheid werd afgesmeekt. In de grot van La Romita bevond – bevindt? – zich een rots in de vorm van een grote moederborst, waarbij de pelgrims troost zochten en vonden. Sint‑Franciscus, bekend om zijn diepe verbondenheid met en liefde voor de aarde, de natuur, de dieren en de mensen, zou het met een welgevallig oog bekeken hebben, waag ik het te denken. In ieder geval bouwde hij in 1213 het vervallen heiligdom terug op om er een verblijf in te richten voor zichzelf en zijn medebroeders. In de loop der eeuwen geraakte het klooster opnieuw in verval en pas in 1991 werd het onder de stuwende impuls van de franciscanerbroeder Bernadino steen voor steen terug opgebouwd.

Nadat de busbestuurder ons aan de voet van de Monti Arnoldi had laten uitstappen, legden we het laatste stuk, een steile klim van anderhalf uur met enkel onze handbagage, te voet af. Sommigen leerden toen al hun grenzen kennen. De aankomst bij het kloostertje leverde het mooiste beeld van de dag op.

La Romita (“de hermitage”) ligt half verscholen tussen de bloemen en het groen. Enkel pater Bernardino bewoont dit pand nog, samen met zijn drie honden. Het biedt echter onderdak aan tientallen pelgrims, die hier de Cammino di Francesco aanvatten. Op deze plek zouden wij twee keer overnachten.

Niets doet vermoeden dat dit klooster pas vijfentwintig jaar geleden werd heropgebouwd. De vroegere bouwstijl werd zeer trouw nagevolgd. Voor het onderhoud van de vertrekken en de ruime tuin staan de voorbijtrekkende bezoekers met graagte in. Veel comfort is er niet. Slechts weinig vertrekken, en in elk geval geen van de slaapruimtes, zijn voorzien van elektriciteit. Stromend kraanwater is er uitsluitend in de keuken. De toiletten moeten met een emmer worden doorgespoeld. Onderaan de helling, een eind verwijderd in de tuin, kan er door een ingenieus buizensysteem gedoucht worden met koud water. De meesten van ons schrokken nogal van deze lage graad aan comfort. We wenden er echter maar beter aan: het zou tijdens de verdere tocht vaak niet anders zijn - een bewuste keuze voor Franciscaanse soberheid. We werden er overigens van tevoren vaak genoeg voor gewaarschuwd: dit zou geen tocht worden voor madammen met een bontjas en heren met witte zijden sjaaltjes!

Maar wat gaf dat? Voor deze inlevering op materieel comfort werden we ruimschoots vergoed door de onverwisselbare ervaring van het zeer dicht doorleven en doorvoelen van de vier basiselementen: aarde, vuur, water en lucht. De natuur van Umbrië leende zich er uitstekend toe! Kwam daarbij de onbetaalbare rijkdom van het hecht samenleven, veertien dagen lang, met meer dan veertig andere mensen, die al gauw een groep begonnen te vormen waarin het lief en leed van één persoon razendsnel het lief en leed van allen werd.

Onze mobiele keukenploeg en logistieke medewerkers (Chris, Jeanine, Sonia, Frank en Geert) lieten die eerste avond, aan de rijk gevulde tafel, al meteen zien wat ze in hun mars hadden en dat zorgde voor veel blije gezichten. Er was pasta en wijn in overvloed. Zo werd het avond en morgen… de eerste dag. Sint‑Franciscus in de hemel en zijn tweeënvijftig volgers op aarde lieten het over zich heen komen en vonden dat het molto bene was!

Zondag 24 juli 2016 – Diepgang

Het speelt in deze christelijke pelgrimstocht geen rol, maar voor onze joodse zusters en broeders – we zijn allen kinderen van Abraham! – is het vandaag een belangrijke vastendag. Op 17 Tammuz herdenkt het joodse volk het doorbreken van de muren van Jeruzalem door de Romeinse troepen onder leiding van keizer Titus (bouwheer van het Colloseum in Rome) en de verwoesting van de Tweede Tempel. Volgens de traditie is het ook de dag waarop Mozes van de berg Sinaï neerdaalde en zag dat zijn volk een gouden kalf had opgericht, waarna hij de platina tafelen stukgooide waarop de Tien Woorden stonden geschreven, en die hem tot dan toe hadden gedragen. Ten slotte herdenken de joden op 17 Tammuz sinds Wereldoorlog Twee ook de slachtoffers van de Shoah, de uitroeiing van grote delen van de Europese joodse bevolking door de volgelingen van de beruchte Herr Führer Hitler. Ik noteer dat alles hier in dit verslag omdat de joden – in tegenstelling tot de moslims en de christenen – slechts zeer weinig vastendagen kennen. Naast 17 Tammuz zijn er enkel nog 9 Av (dit jaar op 14 augustus) en Jom Kippoer (Dag van de Vergevingen, dit jaar op 12 oktober). Het is goed dat de christenen het ook weten, als er bij de joden zo’n belangrijke gedenkdag plaatsvindt.

Bijna alles wat hierboven staat heb ik geleerd van rabbi Ahron Daum van de joodse gemeenschap in Antwerpen, bij wie ik op 27 juni – dus vier weken geleden – in de leer ben gegaan.
*       *       *
Bij het eerste daglicht sta ik op om op het stille binnenplein te kunnen schrijven. Al vlug krijg ik gezelschap van pater Bernardino’s honden, die me komen vertellen hoeveel likjes ze vannacht aan mijn overal verspreid liggende reisgenoten in hun slaap hebben uitgedeeld. Ik knik instemmend en beloon ze voor hun flinke gedrag. Even later worden de eerste slapers wakker.

Het is de eerste dag waarop we voluit in het voetspoor van Sint-Franciscus treden. Het ontbijt is uiterst sober: droog wit brood, confituur, choco en koffie; maar er is genoeg voor iedereen. Na het ontbijt volgt een uitgebreide briefing, waarop vier voortrekkers van de groep zichzelf en hun assistenten voorstellen: Bart (leider van het stapteam), Chris (leider van de keukenploeg), Geert (logistiek verantwoordelijke) en Stijn (inspirator van de gebedsmomenten). In de daarop volgende ochtendwijding plaatsen we Sint-Franciscus expliciet in ons midden.

De eerste stapdag is niet al te zwaar. Het is een luswandeling, bedoeld om ‘in te lopen’ maar ook om ons onder te dompelen in de stilte en eenzaamheid die Franciscus en zijn gezellen in de bossen en spelonken van deze regio opzochten. Het is een eerste confrontatie met onszelf. Als in een spiegel kijken we onszelf en elkaar aan. Tijdens deze eerste stapdag, die we afleggen in twee groepen van twintig personen, wordt er al heel wat afverteld in de kleine groepjes van twee of drie die zich spontaan vormen. De gesprekken bereiken al vlug een dieper niveau. Dit zijn mensen die niet in de eerste plaats uit zijn op toerisme, maar die diepgang zoeken in hun leven en daarover het gesprek willen aangaan met zielsverwanten. Wel, ze komen hier ruimschoots aan hun trekken!

Bij de ochtendwijding kregen we een aantal vragen mee om onderweg in onze harten los te laten. Ze bespeelden alle het thema ‘spiegel’: “Zie je jezelf graag in de spiegel?” – “Aan wie spiegel jij je?” – “Hoe beïnvloedt de blik van anderen op jou je gevoelens en gedragingen?” – “Toont de spiegel een vervormd beeld van jou? Wie ben jij echt?”. In de loop van de namiddag houden we halt op een stille plek in het bos en nemen ruim de tijd om met elkaar te delen wat die vragen in ons losmaken. Ik grijp dit ogenblik aan om te getuigen over mijn autisme en over het belang van onverholen (doch niet kwetsende) feedback van omstaanders op mijn gedrag. Ik besef het zelf niet steeds zo precies wanneer ik grenzen overschrijd die sociaal niet aanvaard worden. Dan is het een kostbare hulp wanneer mij een corrigerende spiegel voorgehouden wordt. Ik zal op een later moment tijdens deze cammino bij een heel pijnlijk voorval nog lering moeten trekken uit wat ik nu de anderen als vraag voorleg.

Maandag 25 juli 2016 – Het wordt menens

Was gisteren nog een inloopdag, vandaag luidt er een heel andere klok. We leggen de grote afstand af tussen La Romita di Cesi en Greccio. Na het opstaan, steevast om 6 uur tijdens deze voettocht, moet het allemaal snel gaan. Ontbijten doen we niet voor 9 uur, dus zowel ontbijt als middageten moeten in de ‘handbagage’ mee. (Onze grote reistassen worden elke dag met een bestelwagen vervoerd). Eerst dalen we opnieuw de Monti Arnoldi af, wat één uur in beslag neemt. Op de parking waar we eergisteren werden losgelaten staat een bus op ons te wachten. Ze voert ons tot in Stroncone aan de andere kant van de Terni‑vallei en doet daar een uur over. Nog zijn we niet aan ontbijten toe. We stappen opnieuw een flink eind en pas dan worden de rugzakken opengemaakt.

Het dagthema heet ‘op verhaal komen’, maar daartoe blijken er slechts weinig kansen te zijn. Integendeel, het wordt een voor velen erg zware tocht, waarop er veel steil geklommen en gedaald wordt en er veel kilometers worden afgelegd. We komen uiteindelijk ruim na het voorziene uur aan in Greccio, tot ongenoegen van de keukenploeg en de logistieke medewerkers. De leiding beseft onmiddellijk dat het volgende keer anders moet. Bij de stappers anderzijds hoor ik ontgoocheling omdat het ontmoetingsmoment rond de vier vragen die we ’s ochtends hadden meegekregen, tussen de plooien is verdwenen. De balans geraakt zo wel wat uit evenwicht. De ploegleiders vragen om begrip: je kan op een tocht als deze niet alles klokvast plannen en uitvoeren. Het blijft schipperen tussen de mogelijkheden die zich aandienen en dan moet je wel eens snijden en sommige deelnemers teleurstellen.

Maar laten we de focus richten op wat wel blij en gelukkig maakte en dat waren in de eerste plaats de onbeschrijflijk mooie landschappen waardoorheen we trokken. Vaak stapten we in schaduwrijke bossen, wat de hitte van de zon draaglijk maakte. Pas laat in de namiddag begon het zachtjes te regenen. Het mooiste tafereel dat ik vandaag zag was dat van wilde paarden die in een bos, zowat twintig meter van ons verwijderd, naast elkaar stonden te grazen. Een tochtgenoot van me maakte er een mooie foto van.


Het letterlijke hoogtepunt van de dag was de Monte Francesco. De top ervan biedt een prachtig zicht op de Rieti‑vlakte, waar we de komende dagen omheen trekken. Op deze zeer eenzame plek bouwde Sint-Franciscus een schuilhut. In 1712 werd er als herinnering daaraan een kapel opgericht.

Daarna volgde enkel nog een lange afdaling, maar ook afdalen kan erg vermoeiend zijn. De plek van aankomst was zeer mooi: het Franciscaanse klooster van Greccio is tegen een rotswand gebouwd, een spectaculair zicht. Niet mis als overnachtingsplaats! Maar vergis je niet: we sliepen allen buiten op een groot, hellend grasveld. Na het bed in La Romita di Cesi moest ook ik deze keer voor het eerst mijn slaapmat ontrollen. Mijn rug was er ’s ochtends niet gelukkig mee! Anderzijds stonden er douches met warm water ter beschikking. Vanzelfsprekend, zou je denken, maar niet op deze Cammino naar Assisi.

Het klooster in Greccio is de enige hermitage die Franciscus bouwde op een plek waar niet van tevoren al een kapel of kerkje aanwezig was. Hij kwam hier zeer graag en was innig geliefd door de dorpsbewoners. Pater André Jansen, die ons tijdens deze tocht vergezelt als historische reisgids, toont ons de vertrekken waarin de broeders geleefd hebben. Het maakt indruk op ons. In een grot bevindt zich een fresco waarop de heilige Maria Magdalena staat afgebeeld. Zij is de patrones van alle kluizenaars. Haar beeltenis zal ik op deze tocht nog vaker tegenkomen.

Ik verneem ook dat Franciscus hier in 1223 samen met de dorpsbewoners een levend kersttafereel bouwde. De verspreiding van de kerststalletjes in Europa vond op deze plaats en in dat jaar haar oorsprong! Vlaanderen heeft de kennismaking met deze traditie overigens te danken aan Stijn Streuvels, die Greccio heeft bezocht en het gebruik om kerststallen te bouwen zo mooi vond dat hij het in zijn thuisland introduceerde. Ik voeg hier nog aan toe dat Greccio is verzusterd met Bethlehem in Palestina, waar volgens de traditie de wieg van Jezus stond.

Dinsdag 26 juli 2016 – Het lijden, het kruis, bier en ijs: het leven zoals het is

Vandaag trekken we verder zuidwaarts, richting Fonte Colombo, maar nog steeds met de Rieti‑vlakte aan onze voeten. Voor het eerst verdelen we ons in vier stapgroepjes van telkens een tiental personen. Mijn groepje wordt geleid door Benny, die de teugels strak houdt maar niet zonder de nodige souplesse. De balans tussen zware lichamelijke inspanning, eten en drinken, uitrusten en tijd nemen voor inhoudelijke bezinning is ditmaal veel beter in evenwicht. De tocht is minder veeleisend dan gisteren en we slagen er dan ook in om binnen de voorziene tijd aan te komen in Fonte Colombo.

De tocht voert ons eerst naar beneden tot helemaal in de vallei. Voordat we het steile klimwerk terug moeten aanvatten, laat Benny ons als een meesterstrateeg in een gelateria een portie overheerlijk Italiaans ijs naar binnen smikkelen. In een opperbeste stemming zetten we de wandeling voort. Er ontwikkelen zich opnieuw wonderlijke gesprekken. Iemand vertelde me dit zeer mooie verhaal, waarvan hij zelf als onderwijzer getuige was:

“Twee broertjes kwamen ’s morgens naar school met ieder een Chocoprinskoek in hun tas. Tijdens de ochtendpauze wenkte het ene broertje het andere met het voorstel om zijn koek met hem te delen; en zo geschiedde. Er bleef dus één hele koek over. In de namiddagpauze, hetzelfde tafereel: nu was het het andere broertje dat het ene wenkte met het voorstel om zijn overgebleven koek met hem te delen. En opnieuw peuzelden zij die samen op.” – Zoveel schoonheid! Je zou voor minder de tranen in de ogen krijgen.

Voor het eerst genieten we de hele dag door van een stralend open hemel en dat betekent in Italië in juli een hete zon, zonder dat die meteen een zwoele atmosfeer schept; er is volop zuurstof en die kunnen we goed gebruiken. We transpireren enorm veel, drinken is de boodschap. Op ons pad komen we regelmatig waterbronnen en fonteintjes tegen, waar we onze flessen bijvullen. Het water is in principe overal drinkbaar; enkel wanneer dat niet zo is, staat er bij het kraantje een waarschuwing.

De landschappen die zich voor onze ogen ontvouwen zijn adembenemend mooi. Voortdurend loop ik te denken: “Dit is toch wel een foto waard!”, maar mijn antieke analoge toestel opdiepen uit de rugzak is zo omslachtig dat ik het fotograferen doorgaans aan de anderen overlaat. Zelf bekommer ik me om mijn aantekeningen en om het uiterst verzorgde tochtboek dat de TAU-medewerkers voor iedereen hebben ontwikkeld. Het bevat een schat aan teksten gerelateerd aan Franciscus en aan de diverse dagthema’s, en daarnaast erg nuttige informatie over de plekken die we bezoeken.

Het thema voor vandaag is ‘Getekend voor het leven’. Het gaat in op vragen als: “Zijn er mensen in mijn omgeving die zwaar getekend zijn door het leven?” – “Draag ik zelf littekens met me mee? Helpt mijn geloof me om daarmee om te gaan?” en “Kan uit het kruis ook iets goeds voortkomen?”. Vragen die zonder uitzondering ieder van ons aangaan. Benny last in de middagpauze genoeg tijd in om erbij stil te staan. We delen onze verhalen niet in groep, maar per twee. Ik ervaar dat een één-op-één dialoog een diepte en intimiteit toelaat die in een groepsgesprek niet haalbaar zijn. Benny vraagt ons ook om onderweg ergens een mooie, witte steen trachten te vinden en die tot de avond bij te houden.

Kort voor de aankomst in Fonte Colombo wordt er opnieuw halt gehouden, ditmaal in een ristorante waar ik met plezier mijn huwelijks- of verjaardagsfeest zou houden, mocht het haalbaar zijn om alle vrienden daarvoor eventjes naar Italië te versassen. De zalen zijn zo aantrekkelijk ingericht en het uitzicht is zo mooi, dat de reisleiding dit verblijf misschien als verbetertip moet bijhouden voor een volgende editie. Maar we houden het Franciscaans sober, althans na het nuttigen van een grote, frisse pint – wat een genot in dit hete Italië!

In de hermitage van Fonte Colombo (‘Duivenbron’), waar wij overnachten, leidt pater André ons eerst rond. Hij toont ons de plek waar Sint‑Franciscus een oogoperatie onderging. Het lichamelijk lijden dat hem in zijn laatste levensjaren te beurt viel was niet min. In het zog van de kruistochten verbleef hij in 1219 in het Midden-Oosten, waar hij de sultan Malek al Khamel vreedzaam ontmoette. Hij keerde echter van daar terug met een besmetting die zijn lijf van binnenuit aantastte. Dat uitte zich vooral in een zeer pijnlijke oogkwaal. In Fonte Colombo werd hij daarvoor ‘geopereerd’, wat neerkwam op een onvervalste martelpraktijk met vuur en gloeiend heet staal. Het baatte niets, want tot aan zijn dood in 1226 zou hij er nooit van herstellen.

Pater André toont ons ook de grot waar Franciscus in 1223 de definitieve versie schreef van zijn kloosterregel. Die zou nog datzelfde jaar door de paus worden goedgekeurd. Verder leer ik van André over de grote verering van Franciscus voor de aartsengel Michael, overwinnaar in de strijd tegen Lucifer (Satan) en het Kwaad.

Bij de avondwijding wordt duidelijk waarom ons werd gevraagd om een witte steen te vinden. We worden uitgenodigd om met een dunne stift en in één of twee kernwoorden samengevat op die steen te schrijven wat ons hart bezwaart of verwondt. Niemand weet van de ander wat die op zijn of haar steen neerschreef. Daarop wordt de steen in een rood doekje gewikkeld, met touw omspannen en verzegeld. Morgenochtend mag ieder zijn steen toevertrouwen aan een zelf gekozen tochtgenoot, die hem dan zal meedragen tot op de Monte Subasio, vlak voor het binnentreden van Assisi.

Tijdens het avondmaal applaudisseren we hard voor Stefaan, die vandaag jarig is. Hij wordt gelauwerd met een toespraak zoals alleen onze keynote speaker Geert die ten beste kan geven. Met zo’n showmaster zou je met plezier een jaar ouder worden!

Woensdag 27 juli 2016 – Elkaar dragen in broosheid

Er wacht ons opnieuw een mooie, haalbare wandeling onder een stralend blauwe hemel. Ik sluit me aan bij het groepje geleid door Bart, vader van Katrien. Ik zal het me niet beklagen. Hij leidt zijn kleine kudde kordaat en zorgzaam, zodat geen schaapje achterop hoeft te hinken.

We dalen af van Fonte Colombo naar de stad Rieti. Langs drukke straten met veel autoverkeer bereiken we de quasi verkeersvrije binnenstad. Wat is het aangenaam rondkuieren hier! We ontbijten op een zonnig terras, genietend van een overheerlijke cappucino. Tweehonderd meter verder bevindt zich de kathedraal. Ervoor staat een kraampje waar een paar bevallige dames Tau-hangertjes, petjes en draagtasjes uitdelen aan de Camminogangers.

Wie wist er dat het geografisch middelpunt van België zich in Nil-Saint-Vincent bevindt, in de provincie Waals-Brabant? Welnu, Rieti is het geografisch middelpunt van Italië. We bezochten het plein waar een monument de aandacht daarop vestigt. Helaas waren hekkens errond geplaatst, omdat het in restauratie was.

Doorheen Rieti stroomt de Velino. Het water is glashelder en er nestelen ganzen. Toen we de rivier overstaken, zagen we op de bedding de stenen resten van de brug die de Romeinen in de oudheid erover hadden geslagen. De diepe sporen die de karren erin hebben getrokken zijn nog duidelijk zichtbaar.

We verlaten de stad en vatten de klim aan naar La Foresta. Onderweg komen we langs een gedenkplaats, zoals je die ook langs onze Vlaamse wegen ziet op plekken waar een verkeersslachtoffer het leven liet. Het slachtoffer hier was ene Valerio Russo en hij werd niet van de weg gereden, maar bezweek als pelgrim op weg naar Assisi. Nog maar enkele jaren geleden overkwam de TAU-stappers uit Vlaanderen eenzelfde ongeluk. Laat het voor ons vandaag geen ongunstig voorteken zijn…

La Foresta bestond in Franciscus’ tijd uit een kerkje dat was toegewijd aan San Fabiano. Het was op haar beurt gebouwd op de resten van een zeer oud heidens heiligdom. Dat merken we vaker op de plekken die we tijdens deze tocht aandoen, tot en met Assisi toe: dat het huidige cultusgebouw nog sporen bevat van vroegere religieuze en culturele tradities, zoals aardlagen boven elkaar. Eenzelfde bouwwerk toont de uitingen van de religieus bewogen mens in verschillende opeenvolgende tijdperken, beginnend bij de cultus van Moeder Aarde, godin van de vruchtbaarheid. Dat fascineert me in Italië: hoe de millennia oude geschiedenis van dit land vaak zicht- en tastbaar is, tot in gewone dorpen en op gewone straten en pleinen.

Franciscus verkoos deze rustige site boven het lager gelegen Rieti, waar de drukke menigte hem al als een heilige vereerde. Hij verbleef er ook tijdens de maanden die onmiddellijk voorafgingen aan zijn oogoperatie in Fonte Colombo. Hij trok er zich terug in de kelderruimte, omdat zijn ogen het daglicht niet meer verdroegen. In de San Fabianokapel zien we achter het altaar een schilderstuk dat niet, zoals we verwachtten, Maria met het Jezuskind afbeeldt, maar wel Maria’s moeder Anna met de kleine Maria op haar arm. Dit tafereel is in Vlaanderen nogal onbekend, maar komt in Italië frequent voor. Beter bekend bij ons is de afbeelding van Anna, Maria en Jezus samen, ook Sint-Anna-ten-Drieën genoemd of Annatrits. Op Antwerpen-Linkeroever is een parochie daarnaar genoemd.

Momenteel wordt het gebouwencomplex van La Foresta niet meer benut als klooster. In 1960 werd het op initiatief van een minderbroeder omgevormd tot een opvangcentrum voor jonge verslaafden, ‘Mondo X’ genoemd. De jongeren die er verblijven bedruipen zichzelf en houden woningen en tuin annex wijngaard piekfijn in orde. De leefregels zijn zeer streng: genotsmiddelen, gsm of smartphone, internet en dagbladen zijn niet toegestaan en wie het domein één keer verlaat – een sprong over een laag muurtje volstaat – komt er nooit meer in. Het ontbreken van enige professionele medische begeleiding toont de achilleshiel van dit bewonderenswaardige initiatief.

We vervolgen onze tocht; het is nog een heel eind naar Poggio Bustone, het einddoel van de dag. Onderweg mijmeren we over vragen die cirkelen rond de thema’s ‘broosheid’, ‘kwetsbaarheid’ en ‘eenzaamheid’. Hoe ga ik om met mijn eigen eindigheid? Laat ik toe dat anderen mij dragen of weer ik hen liever af? Streef ik in alles de perfectie na of is iets minder dan dat ook goed? Opnieuw en steeds weer krijg ik onderweg van tochtgenoten verhalen te horen waarin zij zich zeer kwetsbaar opstellen. Vanuit andere stapgroepen krijg ik dezelfde geluiden te horen. Op zeer korte tijd is er in deze groep van meer dan veertig mensen een groot vertrouwen gegroeid. In het boek ‘Homme et femme il les fit’ van Jean Vanier las ik ooit: “Il n’y a rien de plus beau sur la terre que des personnes qui ont confiance les unes dans les autres.” (p.188) Wat een voorrecht om dat hier te mogen meemaken !

Op onze weg naar Poggio Bustone komen we in Cantalice, een dorp dat helemaal op een steile bergwand is gebouwd. Het is eindeloos mooi en schilderachtig. Het dorp bestaat uit een wirwar van smalle trapstraatjes. Ook in Poggio Bustone zelf zullen we dat terugzien. Wanneer we in Cantalice de driehonderddertien treden zijn afgedaald naar het lager gelegen gedeelte, waar ook de auto’s wat vrijer kunnen rijden, openen de eerste bars opnieuw hun deuren. Tussen 12 en 15 uur vind je in dit gebied geen enkele winkel of bar open; de hitte drijft de mensen naar binnen. We maken van het einde van de siësta gebruik om ons aan te sterken met bier, ijs en koffie. We moeten immers nog een koppige klim aanvatten.

Aangekomen in Poggio Bustone-dorp gunt schaapherder Bart zijn vermoeide kudde een derde terrasstop! Zou hij altijd zo genereus zijn? Het bier vloeit rijkelijk door de uitgedroogde kelen. De echte finish, het kloostertje van San Giacomo, ligt nog 300 meter hoger; we bereiken het langs een aantal uiterst steile straatjes en trappen. In dat kloostertje zullen we twee keer overnachten, want morgen is het rustdag.

Donderdag 28 juli 2016 – Verstilling

Deze dag is bedoeld om tot rust te komen, niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk. Wie dat wil, kan ook vandaag een flinke bergwandeling maken, die naar grote hoogten voert. Maar even goed kan je in of rond het klooster blijven om er uit te rusten, te lezen, te schrijven, te bidden, je kleren te wassen… Er is ook een vrijblijvend aanbod om yoga-oefeningen aan te leren, samen liederen in te oefenen of deel te nemen aan een contemplatieve dialoog met behulp van teksten van Franciscus en Clara.

We beginnen de dag hoe dan ook samen met een korte, steile klim naar de Sacro Speco of Heilige Grot, door de plaatselijke bevolking ook wel ‘grot van eenzaamheid’ genoemd. Op deze plaats trok Franciscus zich vaak terug om te bidden. ‘Speco’ is etymologisch verwant aan het woord ‘specchio’, ‘spiegel’. Zowel in de stille afzondering van een grot of spelonk als in een spiegelbeeld word je frontaal geconfronteerd met jezelf. Maar even goed kan de grot een symbool zijn van de moederschoot of een intiem contact uitlokken met zuster of moeder aarde. En vanzelfsprekend is het een begenadigde plek om er te bidden en jezelf helemaal toe te vertrouwen aan de Stilte die allen draagt en alle antwoorden in zich bergt.

In de Sacro Speco ontdekte ik een ideale plaats om ongestoord te bidden en te schrijven. Ik bleef er dan ook de hele verdere ochtend. Pas ’s middags daalde ik terug af naar het klooster. De ‘heilige grot’ is bepaald indrukwekkend. Ze bevindt zich onder een hoge, steil overhangende rotswand. Erbinnen vind je in alle hoeken en kanten devotionalia en achtergelaten voorwerpen zoals bidprentjes, armbandjes, paternosters, kaarsjes, kruisjes, dichtbeschreven stukjes papier… Ik trof er ook een groot beeld aan van pater Pio van Pietrelcina, die in Italië uitgebreid wordt vereerd. Deze priester-kapucijn leefde van 1887 tot 1968 en werd in 2002 heilig verklaard. Net als Franciscus droeg hij de stigmata of kruiswonden van Jezus. Zijn persoon blijft omstreden omdat hij zich steeds opnieuw koppig verzette tegen de veranderingen en vernieuwingen die het Tweede Vaticaans Concilie (1962‑1965) in de kerk invoerde.

Langs het pad dat van het klooster van San Giacomo naar de Sacro Speco voert, bevinden zich zeven opgemetselde nissen met een betralied raam ervoor. Binnenin zie je telkens, als in een poppenkast, een beeldje van Sint‑Franciscus, vaak in gezelschap van vogels en wilde dieren. Eén keer toont het beeldje Franciscus die Jezus liefdevol van het kruis afneemt. Het tafereel ontroert me hevig. In gedachten hoor ik Franciscus zeggen: “Kom nu maar, lieve Vriend van me, jij hebt nu lang genoeg geleden!”.


De volksdevotie heeft op de plekken waar de nissen zijn gebouwd sporen gelezen van Franciscus’ fysieke aanwezigheid. Op de bordjes lees je dan ook: ‘Steen met de voetafdruk van Sint‑Franciscus’, ‘Steen met de afdruk van het brevier van Sint‑Franciscus’, ‘Steen met afdruk van de mantelkap van Sint‑Franciscus’, ‘Steen met de afdruk van de knieën van Sint‑Franciscus’ en ‘Steen met de afdruk van de elleboog van Sint‑Franciscus’. Maar ook, dreigend: ‘Steen met de onduidelijke en misvormde afdrukken van de Duivel’. Elders echter, troostend: ‘Steen met de voetafdruk van een Engel die in menselijke gedaante aan de poverello (‘kleine arme’) verscheen’.

Terug over naar Poggio Bustone. Dit gebied werd in het begin van de dertiende eeuw bevolkt door zeer eenvoudige, arme mensen. De liefde voor G’d was er uitgedoofd en bezitsdrang was in de plaats getreden. Franciscus stelde zich tot taak om deze streek opnieuw te kerstenen. Hij voelde zich met deze simpele mensen zeer verwant. Hij liep op hen toe met de groet “Buongiorno, buona gente!” (‘Goeiedag, goed volk!’). Vandaag nog klopt elk jaar op de feestdag van Sint‑Franciscus een door het gemeentebestuur aangestelde boodschapper op elke huisdeur van Poggio Bustone om de bewoners met deze woorden te begroeten!

Poggio Bustone was de eerste plaats waar Sint‑Franciscus heen trok na het verlaten van zijn moederstad Assisi. Al voor zijn komst hadden zich in de bergen en bossen rondom het dorp kluizenaars gevestigd. Met zijn eerste acht gezellen voegde Franciscus zich bij hen. En zoals Jezus dat deed met zijn leerlingen, zo stuurde ook Franciscus zijn broeders twee aan twee op pad om het blijde nieuws van Jezus’ komst te verkondigen en de plaatselijke bevolking bij te staan in al haar noden.

Deze zesde dag is voor mij het voorlopige hoogtepunt van een tocht waarin de hoogtes zich letterlijk en figuurlijk aan elkaar rijgen. Wanneer de stappers glunderend van hun wandeling zijn teruggekeerd – er zijn hun daarboven verrukkelijke vergezichten te beurt gevallen – strijken we in Poggio Bustone‑dorp opnieuw neer op het terras dat we ook gisteren al bezochten. Hoe heerlijk is dit land! Ik wil hier nooit meer weg! We sluiten de dag af met lekker eten, overvloedige wijn en een prachtige samenzang in de mooie, grote Sint‑Jakobskapel. Hoe dichtbij voelt de hemel nu!

Vrijdag 29 juli 2016 – Italia per sempre!

Ik geniet nog na van gisteren en heb het gevoel definitief mijn hart verloren te hebben aan dit land. Hoe heerlijk moet het zijn om hier te wonen! Maar beleven de dorpelingen van Poggio Bustone dat zelf ook zo? Niet alleen omdat alles went, ook de meest verblindende schoonheid, zodat je ogen op den duur het excellente niet meer zien. Maar ook omdat de woonomstandigheden hier niet bepaald schitterend zijn. De meeste mensen wonen haast letterlijk op en boven elkaar in woninkjes die niet meer dan een zakdoek groot zijn. Ze bereiken hun stekje veelal langs zeer steile trapstraatjes. Pittoresk is het zeker, maar praktisch? Als bewoners zie ik toch vooral oudere mensen, vaak hoogbejaarden. Hoe redden zij het hier, met boodschappen doen bijvoorbeeld? In weelde leven is in Poggio Bustone slechts voor weinigen weggelegd. Anderzijds stel ik me voor dat de verbondenheid tussen deze mensen groot is. Dat is ook zichtbaar: velen troepen samen bij een bank in de schaduw of op een terras, waar zij een spelletje kaart leggen. Wat een contrast met Brasschaat of Schilde of, zeg maar, Sint-Martens-Latem! Als ik mocht kiezen, wist ik het wel. ‘Stilte, soberheid, samenhorigheid’: dat had Luc Versteylen destijds goed begrepen, toen hij zijn (nu niet meer bestaande) Oude Brouwerijproject in Viersel opstartte.

Het dagthema is ‘geduld’ en dat zullen we vandaag hard nodig hebben: er wacht ons een uitputtende wandeling van 28 kilometer, af te leggen aan een vaak uiterst traag tempo. De bestemming is Ferentillo, maar om daar te geraken moeten we een waar gevecht leveren met de bergen, de bossen, de struiken en onszelf. En ook wel met onze hoogtevrees, want we klauteren soms op uiterst smalle padjes over gladde keien; één stap teveel naar links of naar rechts en je glijdt meters ver weg in de diepte!

Bij de lange klim naar San Venanzio hebben we enkel nog onze hoogtemeters om ons te oriënteren; een pad is niet langer zichtbaar. Het is overwoekerd en dichtgegroeid; met stokken en snoeischaren banen we ons een weg doorheen de braamstruiken. En dat onder een brandend hete zon – liters zweet vloeien er van onze getergde lijven. Alle lof voor onze gidsen Katrien, Benny, Bart en Jan die ons met engelengeduld doorheen deze Umbrische jungle loodsen!

Tegen de middag wenkt ons de open ruimte. We hebben het hoogste punt bereikt en houden halt in de open velden nabij het kleine kerkhof van San Venanzio. Daar vinden we eindelijk ook weer drinkwater; de bussen en flessen worden gretig bijgevuld. Er is tijd om te eten, te rusten en te fotograferen. Ik leg de graftombes op de gevoelige plaat vast. Ze zien er totaal anders uit dan in België. Hier wordt niemand “ter aarde besteld”, want de harde rotsgrond laat dat niet toe. De overledenen worden in de hoogte ‘begraven’ (hoe zeg je dat?), als in flatjes boven elkaar. Het is vergelijkbaar met de muren die op onze kerkhoven worden opgetrokken en waarin de urnen worden geplaatst met de as van de overledene. Alleen zijn het hier geen urnen, maar ganse lijkkisten die in de muur worden geschoven. Ernaast staat een hoge trapladder, rustend op vier wielen, zodat je zonder veel omhaal bloemen of kaarsen kan plaatsen bij de tombe van je overleden vriend of familielid op de vijfde of zesde etage.

Het moeilijkste deel van de dag hebben we nu wel achter de rug, maar er moeten nog veel kilometers afgelegd worden. De namiddag wordt dan ook slopend, zowel door de afstand als door de warmte. De Italiaanse zon schijnt ongenadig. Tegen het eind van de namiddag bereikt mijn groepje Arrone, een klein stadje geprangd tegen de oevers van de Nera. De grote waterbakken aan de ingang van het dorp oefenen een onweerstaanbare aantrekkingskracht op ons uit. De grootste durvers springen er met kleren en al in! We maken dolle pret, de last van de dag valt van ons af. Maar behoedzaamheid is geboden, een politiewagen patrouilleert door de straten en de nors kijkende agenten dulden geen mensen in waterbakken, die voor hen niet zijn bedoeld.

Verder gaat het weer, richting Ferentillo. Pas tegen 20 uur komen we daar aan; onze tongen hangen zowat op onze schoenen. Na de zware dag met aankomst in Greccio, voorbije maandag, komen we dus opnieuw ruim na de voorziene tijd aan. Maar we morren niet, we beginnen te beseffen in wat voor een avontuur we zijn terecht gekomen; en wie het avontuur aanvaardt, aanvaardt het onverwachte. En daarbij, hoeveel moois krijgen we er wel niet voor in de plaats!

Zaterdag 30 juli 2016 – Het dak van de tocht

Het tochtboek had ons verwittigd: “Dit is zonder twijfel de mooiste stapdag; en de lastigste!” Pardon, de lastigste? En hoe noem je dan wat we gisteren te slikken kregen? Maar het is met reden dat ons de verwittiging werd meegegeven. We klimmen vandaag naar de hoogste top van de ganse Cammino: de Monte Fionchi, 1337 meter hoog. Zoals steeds beginnen we er vroeg aan: om kwart over zeven zijn we al aan het stappen. Zo ontkomen we voor even aan de ergste hitte.

Ik schreef voorbije maandag al over het ontstaan van de kerststaltraditie. Ik krijg tijdens deze Cammino di Francesco heel wat kersttafereeltjes te zien, ook al is het hartje zomer. Vele ervan staan gewoon heel het jaar door uitgestald. Zo tref ik er één aan even buiten Ferentillo, beschut door wat op elkaar gemetselde rotsblokken, maar aan één zijde helemaal open. Je kunt zo je hand uitsteken naar de poppetjes, wat ik dan ook doe. Ze blijken uit piepschuim gesneden te zijn! Hoe blijven die hier overeind bij winderig weer?

Onderweg valt het me weer op hoeveel hondjes er vrij rondlopen in de straten. Het zijn er werkelijk tientallen. En vrijwel iedereen houdt ook nog één of meer honden in zijn tuin om de eigendommen te bewaken. En nog een alom tegenwoordige diersoort: de krekels. Zonder ophouden roepen ze elkaar van alles toe; in mijn oren steeds weer dezelfde boodschap, maar dat zal voor hen wel anders zijn!

De tocht biedt ons grandioze uitzichten; hoe hoger we klimmen, hoe adembenemender ze worden. Niet voor niets focust het dagthema op de schoonheid van moeder Aarde en onze verhouding tot haar. In het tochtboek tref ik een wondermooi boomgedicht aan van Hans Andreus, dat ik al jaren koester: “Bomen zijn werkelijk. Hun bladeren praten werkelijk… met woorden veelzeggend en letterloos. Hun toppen zingen. Hun stammen zwijgen hoorbaar. Hun wortels houden van de aarde. Bij een boom staande moet ik wel ademen als een boom. Naar een boom ziende zie ik hemel en aarde in elkanders armen. Want een boom, een boom is een bruiloft!” Ik kan het niet laten dit mooie gedicht hardop voor te lezen voor het hele stapgroepje waarmee ik op pad ben.

Hoe dichter we de top van de Monte Fionchi naderen, hoe kaler het wordt om ons heen. We laten de boomgrens achter ons en blijven klimmen en klauteren, steeds hoger… Boven gekomen wacht ons een subliem uitzicht. Met één blik overschouwen we de Terni-vallei, de Rieti-vallei en de vallei waarin ons einddoel ligt: Assisi!

Het stramien van de tocht gelijkt op dat van gisteren: het einddoel is vandaag Spoleto en de weg daarheen brengt ons weliswaar op een steeds lager niveau, maar is tegelijkertijd nog zeer lang. We drinken liters water, zweten het allemaal weer uit en komen in Monteluco, niet ver van Spoleto, aan met uitgedroogde kelen. We storten ons op de drankenkraam nabij het plaatselijke klooster. Zonder enige gêne slaan we in recordtijd grote glazen drank naar binnen, al dan niet alcoholvrij. De dappersten onder ons brengen het op om, al zitten ze ‘kapot’, toch nog even het kloostertje te bezichtigen. Ik behoor niet tot hen.

We wandelen Monteluco binnen op zaterdagavond, een tijdstip dus waarop de plaatselijke bevolking op een heel ander ritme leeft dan die zwoegende, zwetende stappers uit Vlaanderen. De Italiaanse families en verliefde koppeltjes die ontspannen rondkuieren in de avondzon of lekker zitten uit te rusten op een bank, een ijsje in de hand, bieden een zalige aanblik. Ik voel ter plekke mijn verliefdheid op dit land nog toenemen!

Vanaf Monteluco dalen we af naar Spoleto. We steken een diep ravijn over en doen dat langs een uiterst indrukwekkend Romeins aquaduct, il Ponte delle Torri genoemd. Misschien is dit wel Spoleto’s mooiste en grootste attractie.


Kort na het aquaduct volgt de Rocca ('vesting') en daar ligt de stad aan onze voeten! Via een hele reeks roltrappen, jawel, dalen we af naar het stadcentrum. Onze overnachtingsplaats is ditmaal geen groene weide of klooster, maar het parochiecentrum van Santa Rita, verstrengeld met een lagere school en gelegen in een woonwijk buiten het toeristische centrum. Veel charme heeft deze plek niet, maar anderzijds laat de infrastructuur ons toe om comfortabel te douchen en om samen de maaltijd te gebruiken in een goed uitgeruste eet- en feestzaal.

Het klaslokaal waarin ik mijn matje spreid hangt nog vol met kindertekeningen. De auteurs ervan zijn al lang met vakantie. Op het schoolbord staan nog de gebeden die de kinderen werden aangeleerd: het Padre Nostro en het Ave Maria. Ik schrijf ze beide over – misschien lukt het me om ze op een dag in het Italiaans te bidden!

Zondag 31 juli 2016 – Spoleto per favore!

Een rustdag op zondag in Spoleto, hoe mooi kunnen de kaarten soms toch vallen! Het is een bijzonder aantrekkelijke stad die meer dan twee millennia geschiedenis ademt en uitstraalt. Overal zie je de sporen daarvan. Tijdens de rondleiding die pater André in de voormiddag geeft in het oude stadsgedeelte, houden we stil bij het Teatro Romano, een authentiek bewaard amfitheater van wel tweeduizend jaar oud. Nog niet zo lang geleden was deze site vrij toegankelijk voor iedereen. De Assisi-stappers van vorige TAU-reizen hielden er hun ‘bonte avond’. Nu zijn er rondom het amfitheater poorten en hekken opgetrokken en kan je de plek alleen nog tijdens afgebakende bezoekuren betreden. Maar wie maalt daarom? Heel de oude stad lijkt wel een museum. Er zijn in Spoleto resten bewaard van de ‘Cyclopenmuur’, herkenbaar aan de specifieke bouwtechniek. Deze resten zijn 4000 jaar oud en tonen aan dat Spoleto ook toen al bewoond werd! Je wandelt hier zo van de oudheid via de middeleeuwen en de renaissance naar de nieuwe tijden en omgekeerd. Soms is eenzelfde gebouw drager van de kentekenen van al die tijdvakken tegelijk. Spoleto is daarin geen uitzondering. Dergelijke steden zijn er in Italië bij tientallen. De overheden besteden veel zorg aan het bewaren van al dat kostbare erfgoed. Graffiti of opgehoopt vuil zie je nergens, tenzij in een zeldzaam verloren straatje. Het contrast met onze vervuilde, zielloze, van auto’s uitpuilende Vlaamse steden is wel heel groot.

Het is bijzonder aangenaam kuieren in dit Spoleto op zijn zondags. In de ochtend wordt er een loopwedstrijd gehouden. De blinkende gespierde mannen en vrouwen rennen doorheen de oude binnenstad. En spieren heb je hier zeker nodig, want het gaat voortdurend steil omhoog en omlaag. Waarvoor dienen anders die roltrappen naar de Rocca? De straatjes zijn erg smal, de huizen dicht tegen elkaar aan gebouwd. Op die manier kan de hete zomerzon er slechts spaarzaam doordringen, terwijl in de winter de warmte van de woningen enigermate bijgehouden wordt. In die straatjes wisselen bars, restaurants en winkeltjes elkaar af. De sfeer is zeer ongedwongen. De mensen vieren hier het goede, mooie leven en wij laten ons gewillig meedragen op de golven ervan. Bij een winkelier die uitsluitend modelauto’s verkoopt, schaf ik mij een knalrode Fiat Cinquecento aan in de antieke uitvoering van veertig jaar geleden. Die voeg ik toe aan mijn collectie, die al een lichtblauw Trabantje en een in psychedelische kleuren geschilderde Volkswagen Kever bevat. Bij de aankoop ervan wist ik nog niet hoe gauw ik dat plezante autootje weer zou kwijtspelen.

Pater André leidt ons naar de dom van Spoleto. We wandelen binnen doorheen de tweede ‘heilige deur van barmhartigheid’ die we op deze Cammino tegenkomen. De eerste bevond zich in de Sint-Jakobskapel van het klooster in Poggio Bustone. Deze kerkdeuren hebben een symbolische betekenis. Wie er tijdens een Heilig Jaar, zoals paus Franciscus er momenteel één heeft afgekondigd, doorheen stapt, treedt toe tot de barmhartigheid van G’d. Het is een bewust gebaar van verzoening met jezelf en met je Schepper.

In de dom wordt een originele brief bewaard die Sint-Franciscus schreef aan zijn broeder Leo. Daarnaast bevindt zich er een prachtige Maria-icoon, die een bisschop de stad ooit schonk als gebaar van verzoening. En ten slotte is er het beroemde kruis van Alberto Sozio, dat als voorbeeld diende voor het kruis van San Damiano, waarvoor Franciscus zoveel gebeden heeft… Dat laatste zullen we in Assisi aanschouwen. Bij het kruis van Alberto Sozio wijst pater André ons op de wijd open ogen. De Grieks-westerse cultuur is gericht op het zien, want zien is weten en daar is de Griekse filosofie dol op. De westerse theologie is nadrukkelijk schatplichtig daaraan. De Semitische cultuur van het jodendom en de Arabische stammen oriënteert zich daarentegen veel meer op het horen en luisteren. “Sjema Jisrael…”: “Hoor, Israël…” (Deuteronomium 6,4). Alles begint hier met een woord, een verhaal, een geloof zonder gezien te hebben… dat gaandeweg vorm krijgt, vlees en bloed, in concrete handelingen die gericht zijn op het redden van wie in nood verkeert en de inzet voor wie zwak en onmachtig zijn.

De laatste plek waarheen pater André ons leidt is de Basilica di San Salvatore. Om er te geraken, wandelen we doorheen de begraafplaats van Spoleto. Ze biedt de aanblik van een dodenstad binnen de grote stad van de levenden. Ook hier wordt alles in de hoogte gebouwd, zoals we eerder al zagen op het kerkhofje van San Venanzio. Wat er hier bijkomt, zijn de grote praalgraven, opgetrokken in de kostbaarste bouwmaterialen. Het lijken wel buitenverblijfjes! Het ene staat er al chiquer bij dan het andere. Wat mij erin ontroert, is dat geen enkel ervan voorbehouden is aan een individuele persoon. Alle zijn ze bedoeld als familiegraf. Dat zegt toch iets over de geest die doorheen de samenleving in zo’n stadje waait. Overlijdensberichten worden trouwens niet discreet in brievenbussen besteld, maar gewoon als affiches her en der in dorp en stad aangeplakt, tussen de reclamepanelen in (maar wel steeds bij elkaar geplaatst).

De Basilica di San Salvatore is de oudste plek van samenkomst van de christenen in Spoleto. Spoleto zelf was wellicht het eerste centrum buiten Rome waar christenen woonden. De Basilica is gebouwd op de resten van een Romeinse tempel, wat nog duidelijk zichtbaar is. Het ontroerde me sterk om me daar te bevinden. Het interieur is kaal en uitgekleed, alsof G’d hier helemaal mag binnenkomen en alle ruimte in beslag nemen. De zuilen wijken voor de Eeuwige, de Barmhartige die ons schiep en aan elkander schonk. Ik ervaar dit als een uitgelezen plek voor stilte en aanbidding. Zoals deze kale ruimte mag ook mijn hart zich openen om zich door G’d te laten vervullen. Over alle eeuwen heen bid ik hier verbonden met de eerste christenen. Het licht van de lichamelijk aanwezige Christus schijnt nog in hun ogen. In mijn gebed vraag ik hun om kracht om op mijn beurt dat licht nederig en vrank door te kunnen geven aan mijn kinderen en kleinkinderen.

Vanaf het middaguur is iedereen vrij om de stad te bezoeken op zijn eigen tempo. Pas om 18:30 uur worden wij terug verwacht in de school die ons onderdak biedt. Samen met Karen, met wie ik het al enkele dagen goed kan vinden, duik ik de oude stad in. De wirwar van sfeervolle straatjes waarin we terechtkomen; de wijze waarop toerisme en handel hier harmonisch en zonder poeha samengaan; de overal aanwezige sporen van meer dan tweeduizend jaar bewoning; de ontwapenend blije sfeer die op deze zondag overal in de straten hangt: dat alles maakt ons haast dronken van geluk. Nog fijner wordt het als we om de haverklap tochtgenoten tegenkomen, bij wie net zoals bij ons het genot in de ogen te lezen staat. Voor weinig geld kopen we ons een overheerlijke maaltijd. Daarna verliezen we ons opnieuw in de doolhof van straatjes. Karen houdt niet op met fotograferen, terwijl de stad behaagziek voor haar poseert en zich zo voordelig mogelijk aan haar tracht te tonen.

We verzeilen in geheel verlaten steegjes, waar geen winkeltjes of bars meer te bespeuren vallen. We geraken in een heel speciale stemming; de ganse omgeving waarin we ons bevinden draagt daartoe bij. Grapjasserij en idioot gedrag steken de kop op. We komen niet meer bij van het lachen. Als de hemel hierop lijkt, laat-ie dan maar komen! We zakken steeds verder af naar de Porta Romana. Daar aangekomen nestelen we ons op het terras van een gelateria. De toonbank is sensationeel: ze biedt niet minder dan 43 verschillende smaken aan, de ene al aantrekkelijker dan de andere. Solamente in Italia! Waar in België vind je zoiets? Ik hou het sober en kies voor ananas en pistache. Karen echter laat zich helemaal gaan en laat haar kingsize hoorn vullen met liefst vier ijssoorten waarvan ik nog nooit eerder heb gehoord.

Na deze zoete orgie keren we op onze kousenvoeten naar de overnachtingsplaats terug. We zijn nog net op tijd om ons een beetje te verfrissen voordat de stemmige avondviering begint. Stijn heeft ervoor gezorgd dat die kan plaatsvinden in een romantisch plantsoen, waar we ons allen scharen rond een reusachtige, eeuwenoude naaldboom. We zingen liederen en delen het eucharistisch brood met elkaar. Dan komt het moment waarop ik mijn nagelnieuwe Fiat 500 kwijtspeel.

Dat ging zo: meteen na het delen van het brood mocht ik voor het verzamelde gezelschap het verhaal navertellen van de angstdroom die Sint‑Franciscus in Spoleto had, nadat hij zich vanuit zijn vaderstad Assisi op weg had begeven om zich bij de kruistocht naar Apulië aan te sluiten. Nog terwijl ik dat verhaal voorzichtig aan het uitspellen was, kaapte Franciscus plots mijn rode autootje om ermee uit Assisi weg te scheuren richting zuiden. Kwestie van te kunnen pochen bij zijn vrienden! De nachtelijke droom die hem in Spoleto overviel plaatste hem echter weer met de twee voeten op de grond. Hij zag zijn vergissing in en keerde niet alleen onmiddellijk naar Assisi terug, maar verkocht daar bovendien het Fiatje en nog wat andere overbodige spullen om de opbrengst aan de armen te schenken. Vanaf nu was hij vrij om een nieuw leven te beginnen voor zijn Heer, die hem daartoe geroepen had. Wat mijn autootje aangaat: op één of andere manier verdween dat in de zakken van Geert, onze logistieke leider en tafelredenaar in bange tijden.

Nog was deze hoogdag van het goede leven niet ten einde, want er wachtten ons nog een paar hoogst aangename gebeurtenissen. Omstreeks 20 uur vergastte de keukenploeg iedereen op wat was aangekondigd als een broodmaaltijd, maar wat een heus feestmaal bleek te zijn, ingeleid met heerlijke prosecco! En toen de buiken gevuld waren, kwam het voedsel voor hart, geest en ziel aangezet in de vorm van de traditionele ‘bonte avond’, die op elke Assisi-tocht in het programma wordt ingepast. We hadden dan wel geen Teatro Romano ter beschikking, maar de feestzaal van het parochiecentrum vormde een waardig alternatief. Iedereen in de groep die meende enig talent te bezitten om vanop een podium het gepeupel te vermaken, mocht zijn kans grijpen. En eerlijk, elk optreden, hoe kort of lang het ook duurde, bleek de moeite van het bekijken waard. Terwijl Geert (dezelfde als daarstraks, ja) de performances aan elkaar praatte, zagen we onder meer de revue passeren:

-      Monique, die een mooi, zelf geschreven gedicht voordroeg;
-      Toon, die ons een geheim recept voorstelde om onze twee hersenhelften na een vermoeiende staptocht terug in evenwicht te brengen;
-      Eva en Guillaume, die ons de daver op het lijf joegen met een IS‑Adventure sketch;
-      Bert, die ons introduceerde in het woordenspel dat ons de komende dagen tijdens het stappen zou vermaken;
-      André, die ons een pakkend getuigenis bracht over zijn persoonlijke tochtervaring tot nu toe;
-      Paul, die ons een Schlager aanleerde die nu, twee weken na de feiten, nog steeds door mijn hoofd zindert (“Ai-ai-ai-ai, zijn me dat lappen, dat zijn van die dingen waar jaren nadien de mensen nog over klappen”);
-      Valère, die ons uitnodigde om op 25 september in Meensel-Kiezegem deel te nemen aan een door hem geleide wandeling ter herinnering aan de massamoord die daar in 1944 door de Duitse bezetter werd begaan;
-      Pater André, die enkele kostelijke moppen tapte die ons allen dubbel deed klappen van het lachen.

En showmaster Geert was natuurlijk op zichzelf al een attractie.

Wat een pret hadden we die avond in Spoleto! “Hoe schoon en zoet is het toch om als broeders samen te zijn en ons één te weten!” (psalm 133).

Maandag 1 augustus 2016 – Olijven en moeilijke woorden

Zo heftig als voorbije vrijdag en zaterdag zal het tijdens de verdere tocht niet meer worden. Vandaag wacht ons een aangename, kalme wandeling verder noordwaarts, vol kleurrijke, afwisselende landschappen. Duidelijk is wel dat we in de olijvenstreek komen. We stappen vaak doorheen onafzienbare olijfgaarden. De Club Alpino Italiano tekende voor het traject van Spoleto naar Assisi een Olijvenroute uit, de ‘Sentiero degli ulivi’, die je in vijf etappes kan afleggen. Wij overbruggen de afstand in drie dagen. Vanavond houden we halt in Trevi.

De olijven rijpen in deze tijd van het jaar nog volop. Onderweg pluk ik een paar takjes en stop die in mijn rugzak. Ik wil ze bewaren als herinnering aan deze reis in het Zuiden van Europa. Ze roepen ook het verhaal in mij wakker van de duif die Noach na het zakken van het water, waarin zijn ark honderdvijftig dagen lang had rondgedobberd, liet uitvliegen en die naar hem terugkeerde met een olijftak in de bek – teken dat de aarde opnieuw groene gewassen droeg. En het was op een olijfberg dat Jezus de avond van zijn gevangenneming in doodsangst verkeerde.

Het dagthema is ‘soberheid’ en doet ons mijmeren over de kunst van het verliezen en loslaten van wat ons dierbaar is en over duurzaam omspringen met de natuur en de dingen die ons in handen vallen. Zelf kreeg ik nooit een hardere les in loslaten dan toen ik voor het eerst vader werd. Alle vanzelfsprekendheden werden toen onderuit gehaald en vervangen door een geheel nieuwe prioriteitenlijst. Tot heil en genezing van mijn ziel, die tot dan toe vooral had uitgeblonken in zelfbetrokkenheid!

Zoals vanouds zijn we opnieuw op tocht in kleine groepjes van ongeveer tien mensen. Mijn groep, gegidst door Katrien, speelt in de loop van de dag regelmatig een ongezocht spel met de groep van Benny. Nu eens loopt zijn groep voorop, dan weer de onze. Bij de picknick ’s middags ontmoeten de twee groepen elkaar op dezelfde locatie, een bar met een winkeltje erbij, gelegen buiten de dorpskern.

Nog een herinnering aan deze dag: op een straathoek stapten we op een bepaald ogenblik voorbij een kapelletje. Daarin voor één keer geen beeld van Moeder Maria of Sint‑Franciscus, maar wel van Padre Pio. Ik moet de eerste keer nog beleven dat ik in Vlaanderen in de velden op een kapel stoot met de beeltenis van pater Damiaan!

We spelen de hele dag door het woordenspel dat Bert gisteravond heeft geïntroduceerd. Het gaat erom iemand argeloos het woord te doen uitspreken dat je op een piepklein papiertje kreeg van de spelleidster, in casu Katrien. Geen sinecure met opdrachten als ‘ventilatie’, ‘schroevendraaierset’ en meer van dat fraais. Toch slaag ik erin om op twee dagen tijd tien mensen in de val te lokken!

In de late namiddag komen we vrij ontspannen aan in Trevi, opnieuw een stad met een tweeduizend jaar oude geschiedenis. We overnachten opnieuw bij een klooster, maar bedden zijn er niet. Slapen doen we buiten op het gras of in een overdekte bergplaats voor landbouwgereedschap. Een plots opkomend onweer drijft ons allen dicht bijeen onder het afdak waar de keukenploeg ons avondmaal bereidt. Dat wordt meteen op dezelfde plek verorberd. Zo dicht bij elkaar, gezelliger kan het in een restaurant niet zijn! Na de maaltijd is de lucht weer opengetrokken en verdwijnt de zon in prachtige kleuren achter de horizon.

Dinsdag 2 augustus 2016 – Una giornata particolare

Het einddoel – Assisi – komt steeds dichterbij. Morgenavond zullen wij er aankomen! Maar vandaag brengt de tocht ons via Foligno naar het wondermooie Spello. Ook nu vergt de wandeling geen buitensporige inspanning. Ze voert ons hoofdzakelijk over vlakke wegen.

De eerste attractie van de dag is een heuse schaapherder met zijn kudde. We komen hem tegen kort voor het binnengaan van Foligno. Sinds op het kennismakingsweekend in Béresménil het verhaal werd voorgelezen van Franciscus en de wolf, kijk ik benieuwd uit om er één in het echt te kunnen zien. Helaas, het komt er niet van, al komen wolven wel degelijk voor in het gebied dat wij doorkruisen. De waakhond laat zich gewillig door mij lokken, de herder kijkt oogluikend toe. Ik wil hem plezieren met een stuk brood, maar hij grist een rol toiletpapier uit mijn rugzak en zet het op een lopen! Even later brengt hij de nu wel wat doorweekte rol braaf terug. Bij hoge nood kan ik er misschien nog wat mee beginnen. De hond toont zich speels en neemt de broodsnede dankbaar aan. Uiteraard mag de herder en zijn kudde van mij op de foto!

We zijn vandaag op stap met een prachtig groepje van acht mensen: vier jongeren (Katrien, Bert, Guillaume en Stef) en vier ouderen (Marleen, Odette, Frank en ikzelf). De stemming is zeer ontspannen en blij.

In een buitenwijk van Foligno, tegenover een waterbron op een breed plein, valt ons oog op de Sint‑Marcuskerk. Waarom niet even naar binnen gaan? Het ‘even’ deint uit tot een bezoek van bijna een uur. Dat heeft een reden: Bert en Guillaume hebben ontdekt hoe ze het orgel aan de praat kunnen krijgen. Bijgestaan door Guillaume trekt Bert alle registers open en improviseert er drie kwartier lang lustig op los. Onze monden vallen open van verbazing bij het horen van de welluidende klanken die hij uit het instrument tovert. Voor de goede orde en de geschiedenisboeken noteer ik hierbij dat op 2 augustus 2016 voor het eerst in een Italiaanse kerk het lied “Mia” van Gorki ten gehore werd gebracht, naast het hier en nu zeer toepasselijke “Stairway to heaven” van Led Zeppelin!

Na dit zeer aangename intermezzo trekken we verder Foligno binnen. Deze stad ligt helemaal in de vlakte en is een knooppunt van wegen. Op de weg van Spoleto naar Assisi kan je er moeilijk om heen. Na de beangstigende droom die Sint‑Franciscus in Spoleto had, en waarin G’d hem interpelleerde over zijn kruistochtplannen, verkocht hij in Foligno zijn wapenrusting en paard – dus geen rood Fiatje; dit verzinsel berust op een anachronisme – om met de opbrengst ervan in Assisi het vervallen kerkje van San Damiano te restaureren. We bezoeken de dom en troepen dan samen op een nabijgelegen terras, waar een andere stapgroep zich al voor ons behaaglijk heeft genesteld. Het dagthema ‘vrede’ krijgt hier op alle manieren handen en voeten. We verbroederen zelfs met Nederlandse toeristen, die op datzelfde terras hun lunch gebruiken! Ze komen uit Gouda, thuisstad van mijn vriendin Joke. Zij vonden in de dom de draagbare telefoon terug die één van ons (Tine) was kwijtgespeeld. Mijn groepje doet zich tegoed aan foccacia, espresso, capuccino, aranciata, prosecco en ‘acqua tonica’ (klinkt toch mooier dan ‘nen tonic’, niet?). Het humeur wordt er nóg beter door!

Voordat we verder trekken gebruiken we onze picknick en rusten we uit in het stadspark. Het is er heerlijk rustig en de bomen werpen hun brede schaduw op ons. Er staan speeltuigen en daaraan kunnen de jongeren in onze groep, maar ook een boude, al wat oudere stapper met een nog jong gebleven hart, niet weerstaan.

Aankomen in het steil tegen de uitlopers van de Monte Subasio aangebouwde Spello is een droom. Dit is misschien wel het mooiste en kleurrijkste stadje in heel Umbrië. Je duikt er zonder meer onder in de middeleeuwen, je ziet en proeft de geschiedenis met al je zintuigen. Het is één en al pracht! Het Belvedere biedt bovendien een grandioos uitzicht op de omgeving. In de Santa Maria Maggiore toont pater André ons de bedwelmende fresco’s van Pinturicchio. Het is duidelijk dat de Vlaamse Primitieven in deze streek hun mosterd haalden.

De leukste verrassing heeft de tochtleiding tot de avond bewaard, op de plek waar we voor de laatste keer zullen overnachten onder de blote sterrenhemel. Er bevindt zich namelijk een waarachtig, onvervalst zwembad – exclusief voor ons! In de tuin bereidt de keukenploeg ons een waar feestmaal. Na deze avond zit haar taak erop en zij wil duidelijk eindigen in schoonheid. We tonen ons heel dankbaar voor hun onverdroten ijver en inzet.

Woensdag 3 augustus 2016 – Open houden en verder leven

Het is vandaag onze laatste stapdag en het wordt een heel bijzondere. Omdat we vanavond in Assisi aankomen, natuurlijk, maar ook omdat we de Monte Subasio zullen bedwingen. Met zijn 1290 meter hoogte kan die zich meten met de Monte Fionchi, waar we voorbije zaterdag over heen zijn geklauterd. Ook nu zullen we hoger klimmen dan de boomgrens.

Op weg ernaartoe heb ik opnieuw uitzonderlijk fijne gesprekken met tochtgenoten. Zij schromen zich niet om hun hart wijd open te zetten. Dat brengt veel blijde herinneringen aan de oppervlakte, maar ook veel leed, in stilte gedragen. Het dagthema luidt ‘Struikelstenen’ en het is ons menens om daar vandaag iets mee te doen. Iedereen draagt er wel één of meerdere bij zich. Stenen die al in de spreekwoordelijke rugzak zaten nog voor het vliegtuig in Brussel opsteeg; maar ook stenen die er tijdens de tocht zijn bijgekomen. Want laten we onszelf niets wijsmaken: hoe vredelievend we de reis ook aanvatten bij ons vertrek in La Romita di Cesi, er kwamen onderweg allerlei emoties en verlangens op in onze harten en het waren niet steeds de fraaiste. Zo verloopt het in elke samenscholing van mensen, in welk verband die ook ontstaat: in de eigen familie, op de werkvloer of tijdens een groepsreis.

De intieme gesprekken brengen veel miserie aan het licht, waarover de betrokkenen niet graag spreken – als er al iemand is die zich bereid toont om het verhaal te beluisteren. De onmacht bij ziekte of verlies van een geliefde is een pijn die de geslagen wonde nog dieper uitbrandt. Soms komt een gesprekspartner niet verder dan de bekentenis dat hij de last van de steen die hem bezwaart absoluut met niemand kan delen. Meer verneem ik er niet over.

Voor al deze gekwelde en afgepeigerde mensen voorziet de tochtleiding op de Monte Subasio in een helend ritueel. Er bevindt zich op de top een diepe krater, overblijfsel van een gedoofde vulkaan. Hij is nu geheel dichtgegroeid met gras. Na een kort, gemeenschappelijk gebedsmoment kan al wie dat wil de steen die hij of zij op de derde stapdag met viltstift heeft beschreven, en die een lieve tochtgenoot een week lang voor hem of haar heeft meegedragen, in het oog van de krater achterlaten. Hij wordt daar toevertrouwd aan de Grote Barmhartige en aan Sint‑Franciscus en zijn broeders, die hier zo vaak hebben gebeden. Zelf laat ik mijn steen hier niet achter. Het mooie gebaar dat mij wordt voorgesteld komt me voor als het verdoezelen van een wonde die meer behoeft dan een staptocht naar Assisi om ten gronde gekust en gereinigd te worden. De steen zal dan ook meereizen huiswaarts. Niettemin heb ik nergens eerder op deze tocht Franciscus zo dichtbij gevoeld. Ik laat me bewust wat afzakken van de rest en leg de laatste meters op weg naar de top in eenzaamheid af om biddend met Franciscus in gesprek te treden. Ik vertrouw hem mijn zielenleed toe en laat de vervulling van mijn wensen aan zijn wijsheid over. Ik heb het gevoel dat mijn woorden niet in de leegte verdwijnen.


Nog voor de middagpauze vatten we de afdaling van de Monte Subasio aan. Het uitzicht is opnieuw adembenemend mooi, waarheen je ook kijkt. Assisi is nu duidelijk zichtbaar, maar de weg erheen is nog lang. We stoppen bij een verlaten gebouwtje om er ons middagmaal te verorberen. Helemaal verlaten is het niet, want aan de achterkant bevindt zich een krappe paardenstal waarin enkele wilde, vervuilde paarden schuw samentroepen: papa paard, mama paard en hun zoontje. Het veulen is het minst bang en zet na een tijdje een paar passen naar buiten. Ik slaag erin om het enkele keren te fotograferen.

Kort voor het bereiken van Assisi bezoeken we de Carceri, grotten die werden ingericht als hermitages waarin Franciscus en zijn volgelingen zich terugtrokken. Al voor hun tijd werden ze als dusdanig gebruikt door volgelingen van Sint‑Benedictus. Ze zijn zeer goed bewaard gebleven; je kan als het ware je hand leggen op tafels en banken die Franciscus en zijn broeders nog gebruikt hebben. In de kapel van dit heiligdom laat ik de gebedsintenties achter die ik van vrienden in Lier en elders heb meegekregen. Ik voeg er ook mijn gebed aan toe voor de mensen die me bijzonder dierbaar zijn of voor wie ik bijstand afsmeek.

En dan, na nog een laatste nijdige afdaling over spekgladde steentjes, bereiken we de stadspoort van Assisi! We worden er feestelijk opgewacht door onze logistieke helpers en door de keukenploeg. Ze vergasten ons op een vurig applaus en verse meloenen. Iedereen omhelst en bedankt elkaar voor het feest van vriendschap en verbondenheid dat we nu al twaalf dagen lang hebben kunnen vieren.

De komende nachten slapen we in hotel La Rocca, niet ver van de resten van de Rocca Maggiore of burcht, die boven Assisi uit torent. De naam bezorgt me als Lierenaar binnenpretjes, mijn stadsgenoten-lezers zullen begrijpen waarom. Wat voelt het goed om onszelf nog eens te kunnen wassen en verzorgen in een goed uitgeruste badkamer! Er is zelfs televisie op de kamer, die ik deel met Frank, maar we voelen absoluut geen drang om dat toestel in te schakelen. Het scherm zal drie dagen lang zwart blijven.

Na aankomst in het hotel feesten we verder, ditmaal gezeten aan echte tafels en op echte stoelen, en niet etend uit ijzeren gamellen maar uit porseleinen borden met een deftig couvert erbij. Chris, Jeanine en Sonia hebben deze keer niet meer achter de kookpotten hoeven te staan en laten zich de bediening welgevallen. Na afloop van de maaltijd maken velen er op het kleine pleintje voor het hotel nog een lange avond van bij bier en wijn en ander lekkers.

 

Donderdag 4 augustus 2016 – Assisi, stoeiend

Vandaag en morgen beschikken we over ruimschoots voldoende tijd om Assisi op een aangename, ontspannen manier te ontdekken. Er valt over Assisi zoveel te vertellen. Op een groot bord naast de poort waarlangs we Assisi gisteren bereikten, stond te lezen dat de stad net als Greccio, waar we op 25 juli overnachtten, verzusterd is met Bethlehem. Daarnaast echter ook met San Francisco in de Verenigde Staten en met Santiago de Compostela in Spanje. Mooie verbindingen zijn dat.

We beginnen de dag met een door pater André gegidste wandeling. Ons vertrekpunt is de centraal gelegen Piazza del Commune. Dit is het kloppende hart van de welvarende handelsstad die Assisi was in Franciscus’ tijd. Zelf was hij kind van een welgestelde lakenhandelaar. We bezoeken de Chiesa Nuova die gebouwd is naast wat wellicht zijn ouderlijk huis is geweest. Langs een trap achteraan de kerk belanden we in een steegje waar zich de winkel bevond; die is nu omgevormd tot een kleine kapel. Men beweert dat Sint‑Franciscus hier zou geboren zijn.

Pater André wijst ons ook de plaats aan waar de kerk heeft gestaan waarin Franciscus bij een priester te rade ging, toen hij onmiddellijk na zijn bekering niet wist hoe hij zijn nieuwe leven vorm moest geven. De kerk werd in de negentiende eeuw door een aardbeving verwoest. De priester toonde aan Franciscus en zijn eerste gezellen een evangeliarium, dat hij drie keer na elkaar willekeurig liet openvallen. De bladzijden waarop het boek openviel, toonden de volgende teksten: “Verkoop al wat je bezit en geef het aan de armen”, “Als je me wilt volgen, neem dan je kruis op en volg mij” en “Jezus zond zijn leerlingen twee aan twee uit om aan de mensen het goede nieuws van de komst van het koninkrijk der hemelen te verkondigen”. Daarmee opende zich voor Franciscus de weg die hij concreet moest gaan. Het originele evangeliarium bevindt zich nu in Baltimore in de Verenigde Staten. De altaarsteen waarop het boek lag kunnen we morgen betasten in de San Rufino bij ons bezoek aan deze kathedraal.

Franciscus verzandde tijdens zijn bekeringsproces in een vreselijk conflict met zijn vader Pietro di Bernardone. Toen die weet kreeg van de plannen van zijn zoon om de restauratie van het kerkje van San Damiano te financieren met de opbrengst van de verkoop van de van hem geleende wapenrusting en paard, ontstak hij in een blinde woede en sloot hem op in een kleine kerker in zijn woning. Die kan je vandaag nog bezichtigen. Hij spande tegen zijn zoon zelfs een proces aan wegens de verkwisting van het familiebezit. Franciscus werd in zijn cel door zijn vader afgeranseld en geketend maar ook toen al, zoals vandaag, was dat niet de meest efficiënte methode om tot een vergelijk te komen. Integendeel, het leidde tot een definitieve breuk met het ouderlijk huis. “Denk niet dat ik vrede ben komen brengen op aarde”, zo waarschuwde Jezus al!

De volgende plek die we bezoeken is logischerwijs San Damiano, even buiten Assisi gelegen. In het vervallen kerkje van San Damiano bad Franciscus in diepe wanhoop voor het kruisbeeld dat was gemaakt naar het model van de hand van Alberto Sozio, dat we in Spoleto hebben kunnen bekijken. Het kruisbeeld dat we nu in San Damiano te zien krijgen is een kopie. Het originele kruis bevindt zich in Assisi in de Santa Chiara, die we morgen zullen bezoeken. Voor dat kruis, dat de verrezen Christus toont, bevocht Franciscus huilend en smekend zijn metanoia, zijn innerlijke ommekeer, op het moment in zijn leven waarop hij zich totaal ingesloten voelde, waarop alle uitwegen afgeblokt waren en hij geen toekomst meer voor zich zag. Tot dat hoopje ellende sprak Jezus vanop zijn kruis: “Herbouw mijn kerk Francesco, herbouw mijn kerk, zij valt in…”

Na het bezoek aan San Damiano wordt iedereen aan zijn eigen vrijheid toevertrouwd en rest er nog een groot deel van de dag om rustig kennis te maken met Assisi. Voor deze stad is het een heel bijzondere dag, want zij ontvangt vandaag het bezoek van niemand minder dan paus Franciscus. Hij bezoekt Assisi naar aanleiding van het achtste eeuwfeest van de ‘Vergeving van Portiuncula’. Dit eeuwfeest valt gelukkigerwijs samen met het door de paus afgekondigde Jaar van de Barmhartigheid. De ‘Vergeving van Portiuncula’ wordt elk jaar gevierd op 1 en 2 augustus. Aan de oorsprong ervan ligt het verhaal dat in juli 1216 Jezus en zijn Moeder, omgeven door talrijke Engelen, in het kerkje van Portiuncula aan Franciscus verscheen, terwijl hij daar in gebed verzonken was. Zij vroegen hem waarvoor hij aan het bidden was. Franciscus antwoordde onmiddellijk: “Ik bid dat alle mensen die berouwvol zijn en zich bekeren, deze kerk zouden komen bezoeken en er volledige vergeving zouden ontvangen voor al hun zonden.” Christus antwoordde dat Franciscus zich daarvoor tot de paus moest wenden om diens instemming te vragen. Paus Honorius III luisterde zorgvuldig naar Franciscus en vroeg hem toen: “Over hoeveel jaren zou je willen dat die vergeving zich uitspreidt?” Franciscus antwoordde: “Heilige vader, niet over hoeveel jaren, maar over hoeveel zielen!” En op 2 augustus 1216 kon hij, vergezeld van de bisschoppen van Umbrië, in Portiuncula aan de bevolking melden: “Zusters en broeders, ik wens ons allemaal de hemel toe!”

Toen ons reisprogramma werd opgesteld, was het pausbezoek nog niet bekend. Het is echter onmogelijk voor ons om erbij aanwezig te zijn. Zonder uitnodiging en pasje geraak je er niet in. Toch zullen wij er in Assisi zelf weinig van merken, want het bezoek vindt uitsluitend plaats in Portiuncula, op enige kilometers afstand van de stad. Het duurt ook niet langer dan een viertal uren.

Na te hebben getankt bij de enige geldautomaat in de stad stoot ik op een terras op de Piazza del Commune op een groot aantal tochtgenoten. We bestellen pizza’s en delen die. Na de maaltijd verlies ik me in de sfeervolle straatjes en pleinen. Assisi is niet zo groot, je doorkruist het plaatsje gemakkelijk al wandelend. Het is tegen een berg gebouwd. Het is dus voortdurend klimmen en dalen geblazen, maar de vele steile trappen en hellingen maken deel uit van de charme van Assisi, zoals van meerdere stadjes die we op de Cammino al hebben aangedaan. In 2000 werd Assisi in haar geheel toegevoegd aan de lijst van het werelderfgoed van de UNESCO. Dat zegt genoeg over de historische en culturele waarde ervan.

Ik neem de tijd om mooie geschenken te kiezen voor mijn kinderen en voor sommige vrienden. Daarna duurt het niet lang of ik zit alweer op een terrasje in het goede gezelschap van enkele tochtgenoten. Net als ik zijn zij uitgezwermd over de stad en genieten van al het moois dat het leven hun hier en nu aanbiedt. Het verrast en ontroert me steeds opnieuw hoe er ook nu nog, dicht bij het einde van onze reis, nieuwe combinaties ontstaan van mensen die geheel toevallig aan mekaar blijven plakken en ter plekke besluiten om samen te eten en te drinken en een openhartig gesprek aan te gaan.

Ik heb vernomen dat er in Assisi ergens een kerkje bestaat dat de naam draagt van mijn patroonheilige. In de late namiddag trek ik ernaartoe. Ik vind het kerkje niet ver van de Piazza del Comune, ergens verdoken onderaan een trapstraatje achter woonhuizen. Het is er zeer stil en verlaten. Als ik het kerkje betreed, ben ik er moederziel alleen. In de Chiesa San Stefano binnengaan is als binnengaan in het hart van G’d. Geen plek die we tijdens onze tocht bezochten laat zozeer toe af te dalen in je diepste zelf, daar waar de Eeuwige woont en je aanspreekt. Elk ornament ontbreekt dan ook. De muren zijn dik en de kleine ramen laten amper licht toe. Het bouwwerk dateert van de 12de eeuw en bleef authentiek bewaard. Ik fotografeer het enige beeld dat ik ooit zag van Sint‑Stefanus, de eerste martelaar na Christus. In zijn rechterhand draagt hij de dikke keien waarmee hij werd gestenigd omdat hij zijn bek niet kon of wilde houden. De religieuze autoriteiten konden zijn verhaal over de verrezen Jezus maar matig pruimen…

Het feestelijk samenzijn in de stad vloeit harmonisch over in de avonddis, ditmaal op het dakterras van het hotel – kan het nog mooier? Maar tijdens die maaltijd breekt plots de wolf in mij los, fel en onverbiddelijk. Hij heeft zijn tijd afgewacht en slaat nu toe. Na een terechtwijzing door een tochtgenoot val ik snoeihard naar hem uit. Mijn driftbuien zijn een probleem dat mij al van kindsbeen af parten speelt en dat samenhangt met mijn hooggevoeligheid en autisme. In het herstelproces van de depressie waarmee ik de voorbije twee jaar kampte, duikt het opnieuw op. Met veel vallen en opstaan leer ik ermee om te gaan. Telkens opnieuw komen er veel woorden van uitleg en geduldige verzoening bij te pas. Ook nu, net in Assisi, zullen ze hard nodig zijn. Na mijn uitval vlucht ik onmiddellijk naar de hotelkamer; mijn hart gaat in overdrive en het bloed raast door mijn aderen. Ik schaam me dood voor wat ik zopas aanrichtte; morgenochtend voortijdig terug naar België afreizen zou een goede oplossing zijn, maar niet de beste. Meer moed vraagt het om niet de verdere avond op de kamer te blijven, maar me naar de avondwijding te begeven en daar terug aan te sluiten bij de groep.

Verward en beschaamd druip ik af naar de Piazza San Rufino waar allen zich vlak voor de kathedraal hebben verzameld. Op deze plek zullen we biddend de dag afsluiten. De eenheid van hart en ziel is opnieuw tastbaar aanwezig. Na het laatste lied blijft iedereen gewoon zitten. Er wordt gekeuveld en gedeeld. Er is zoveel te vertellen! En niemand heeft zin om al op te staan en zich van de anderen los te maken… Opnieuw en eens te meer: “Hoe schoon en zoet is het toch om als broeders en zusters samen te zijn en ons één te weten!”

Ik heb het hele gebed bijgewoond half verdoken achter een zuil van het voorportaal. Ook na afloop van het gezang waag ik het niet om mij te tonen. Iemand moet mij helpen. Het is Katrien die met een verlossend woord naar mij toekomt. Nu ben ik het die metanoia nodig heeft. Iets in mij stuwt me heel gebiedend om te handelen, nu! Ik ga naar mijn tochtgenoot en fluister hem toe: “Broeder, ik heb tegen jou gezondigd!” Daarop volgt er een verzoenend gesprek, dat het zwart van mijn ziel voor het grootste deel weer wegwast. Mijn Cammino is gered, ik mag er ook morgen nog bij zijn.

Vrijdag 5 augustus 2016 – Assisi, biddend

Opnieuw start de dag met een begeleide wandeling. Die vatten we aan bij de zeer streng bewaakte San Francescobasiliek. Geen ‘pace e bene’ hier als welkomstgroet. Iedereen moet langs twee zwaar bewapende militairen in gevechtsuitrusting, alle tassen moeten worden geopend. Hoeveel pijn moet Franciscus hierbij niet voelen… Hij zou zeker ook niet akkoord gaan met het buitenproportioneel grote bouwwerk dat boven de crypte met zijn sarcofaag is opgetrokken. Bonaventura schreef over Franciscus in zijn Legenda Majorum: “Meer dan eens gaf hij opdracht om reeds gebouwde huizen weer af te breken of beval hij zijn broeders om eruit weg te trekken. Dat kon zijn omdat zo’n huis werd gezien als eigendom van de broeders of omdat het te kostbaar was ingericht. De armoede was naar zijn zeggen het fundament van de orde. Op haar rustte het hele bouwwerk en wel in die mate dat het van haar afhing of de orde overeind bleef of in elkaar zakte.” Wat hebben wij sindsdien geleerd, vraag ik me af, dat we boven Franciscus’ graf twee monumentale kerken boven elkaar hebben gebouwd! Dat heb ik nog nooit ergens anders gezien of gehoord!

Pater André toont ons eerst de bovenste kerk. De fresco’s op de zijmuren tonen taferelen uit het leven van Sint‑Franciscus. Ze zijn deels ontleend aan de Fioretti, een verzameling van volkse verhalen en legendes geweven rond de geliefde heilige. Ze verwijzen ingenieus naar bijbelse taferelen, die één rij hoger zijn geschilderd en die de anekdotes uit Franciscus’ leven inhoudelijk ondersteunen. Daarna dalen we af naar de onderste kerk. Denk niet dat we ons hier voortbewegen onder lage plafonds en in nauwe gangen, integendeel: het is een volwaardig bouwwerk, een basiliek waardig, met hoge koepels en in staat om grote groepen mensen te ontvangen. Het is al pracht en praal, waarheen je ook kijkt. Er zijn zeer veel mensen aanwezig en in één van de vleugels is een gebedsdienst bezig met luide gezangen. Ik ervaar het allemaal als uiterst vermoeiend, mijn hooggevoeligheid voor zintuiglijke prikkels helpt me ook niet bepaald en ik zak uitgeput ineen op een trede nabij een altaar. Geen halve minuut later word ik opgejaagd door een suppoost: uit eerbied mag ik hier niet zomaar eventjes gaan zitten! Al sinds de voorbereidende bijeenkomst in Vaalbeek op 4 juni werden wij overigens ervan verwittigd dat we ons bij het bezoek van de gebedsplaatsen in Assisi zedig moesten kleden. De lengte van de rokken en broeken en het aantal vierkante centimeters ontblote schouders en benen doen er hier toe! Ondanks mijn short ondervind ik geen problemen, ik ben ook lang de enige niet die de basiliek in zomerse kledij betreed. Eén ding weet ik zeker: bidden zal ik in dit protserige gebouw nooit kunnen, waarover soldaten en religieuzen de wacht houden die zich allesbehalve mild en gastvrij tonen tegenover de menigte die de heilige poverello hier komen eren.

Van de San Francescobasiliek gaat het naar de Santa Chiarabasiliek. Met de adellijke Clara onderhield Franciscus zijn leven lang een heel bijzondere relatie. Zij was twaalf jaar jonger dan hem en wanneer Franciscus zijn vrijheid heeft bevochten op zijn tirannieke vader en met zijn eerste gezellen een verblijf heeft gesticht in Portiuncula, gaat Clara in het geheim naar hem toe. Twee jaar lang ontmoeten zij elkaar zonder medeweten van haar ouders. Dan, op Palmzondag van het jaar 1212, treedt Clara stiekem – weliswaar met medeweten van de bisschop – tot de orde toe. De broeders van Franciscus brengen voor haar en haar gezellinnen het kerkje van San Damiano in gereedheid. Daar zal Clara haar hele leven wonen. Zij zal er Franciscus verzorgen op diens sterfbed. Na haar dood op 11 augustus 1253, 27 jaar na Franciscus’ dood, wordt haar lichaam overgebracht naar de plaats waar nu de Santa Chiarabasiliek is gebouwd. Amper twee dagen voor haar dood kwam vanuit Rome een kardinaal haar bevestigen dat haar regel of levensvorm door paus Innocentius IV werd bekrachtigd. Zij was de eerste vrouw in de kerkgeschiedenis aan wie die eer te beurt viel.

In de crypte van de basiliek aanschouwen we de stoffelijke resten van Clara’s lichaam. En in de basiliek zelf bidden we bij het originele kruis van San Damiano.


Nu rest ons alleen nog een bezoek aan de kathedraal van San Rufino, de eerste bisschop van Assisi, die leefde in de derde eeuw. In de oudste tijden was dit een cultusplaats voor Moeder Aarde. Daarvan getuigt nog het fronton boven het voorportaal, waar een vrouw rijkelijk de melk laat vloeien uit haar gulle borst. Onder glazen platen kan je op de binnenvloer van de kerk nog de Romeinse fundamenten bekijken. In deze kerk werden Franciscus en Clara gedoopt. Op het voorplein heeft Franciscus tijden zijn leven vaak gepredikt. En opnieuw is er hier een ‘heilige deur van barmhartigheid’, de derde al op onze tocht.

Nu de taak van pater André erop zit, kan iedereen het verdere verloop van de dag vrij invullen. Wie dat wil kan ’s namiddags met de bus naar Portiuncula reizen om er de basiliek van Santa Maria degli Angeli te bezoeken. Een vijftiental mensen laat zich daartoe verleiden. Tinne, die zich sinds gisteren bij de groep heeft gevoegd, begeleidt hen.

Zelf verkies ik de namiddag rustig door te brengen in het gezelschap van Karen. Nu de stapdagen achter de rug zijn, beseffen we pas hoe moe onze lichamen zijn. We besteden de uren dan ook voornamelijk aan lekker eten, ijs smullen en uitrusten, al dan niet in gezelschap van tochtgenoten die in Assisi verkozen te blijven.

Iets voor 19 uur komen we in een zijkapel van de San Rufinokathedraal bijeen voor een dankviering, voorgegaan door pater André. Het is een pakkend gebeuren. Voor het laatst op deze tocht zijn we biddend en zingend bijeen. Een aantal mensen spreken vooraan in de kapel luid hoorbaar hun dank uit, of halen een bijzondere herinnering op die in hun hart gegrift blijft . De vredeswens die we met elkaar uitwisselen is hartelijk en oprecht. Ieder doet zijn best om vooral niemand over te slaan!

Bij het avondmaal klinken opnieuw veel woorden van dank, in het bijzonder voor iedereen die ervoor heeft gezorgd dat de stappers zich in de voorbije paar weken helemaal konden toeleggen op hun tocht zonder zich te hoeven bekommeren om de te volgen route, om slaapplaatsen of maaltijden, om inkopen en betalingen en wat weet ik nog meer. Het applaus en de geschenken zijn dubbel en dik verdiend! Na het afruimen wordt er opnieuw een kring gevormd op het kleine pleintje voor het hotel. We drinken en delen er tot in de kleine uurtjes. Boven onze hoofden weerlicht het aanhoudend. Het wordt morgen zonder twijfel een natte dag.

Zaterdag 6 augustus 2016 - Metamorfose

Op de ochtend van de terugreis blaast de wind ons bijna uit onze bedden. De regen klettert tegen de ramen en de hemel zorgt voor klank- en lichtspel. Na het ontbijt is de storm wat getemperd en we bezoeken de laatste, zeer verrassende bezienswaardigheid. Het is de voormalige kerk van Santa Maria delle Rose, waar een permanente tentoonstelling is gewijd aan het Mariabeeld en de Tau van de kunstenaar Guido Dettoni. Het beeldje past perfect in je handpalm, ideaal om bij de meditatie in te laten rusten. Naargelang de hoek waaronder je het beeld bekijkt, kan je er verschillende voorstellingen in zien: Maria met het Kind in haar armen, Maria in blijde verwachting, Maria die een kruik naar de waterbron draagt, Maria geknield in gebed of, wanneer je het beeld op haar zijde kantelt, een vredesduif in haar vlucht. Ik zie er het ideale geschenk in voor mijn vrienden van de cisterciënzerleefgroep in de priorij van Klaarland (Bocholt) en koop meteen een aantal exemplaren.

Dan moeten we echt afscheid nemen van Assisi. Een bus voert ons naar de luchthaven Leonardo da Vinci nabij Rome, waar het vliegtuig naar Brussel opstijgt om 15:50 uur. In Brussel aangekomen moeten we ook afscheid nemen van elkaar, zij het niet voorgoed. Velen kijken al uit naar de terugkomdag op 1 oktober. En ongetwijfeld zullen velen van ons elkaar nog tegenkomen op één van de vele eendagswandeltochten die TAU doorheen het jaar organiseert.

Vandaag is het 6 augustus. Dat is niet alleen de herdenkingsdag van de eerste atoombom ooit die mensen naar elkaar toe hebben gesmeten. Het is ook het feest van de Gedaanteverandering van de Heer (cf. Markus 9,2-8). Wij hebben allen op deze reis onze eigen private Taborervaring gehad. Niemand is naar huis teruggekeerd in de gedaante waaronder hij of zij eraan is begonnen. De tocht heeft ons allemaal veranderd. Ze zal iedereen aan de ribben blijven plakken, hoe dan ook. En de meesten zijn daar absoluut niet rouwig om! Dank u, broeder Franciscus, voor het licht dat u in onze harten hebt laten schijnen! Bid voor ons, opdat wij het niet laten uitdoven en het op onze beurt zouden doorgeven aan anderen!

Il piccolo scrittore

Lier, augustus 2016


Opgedragen aan alle engelen die in mensengedaante deze tocht samen met mij zijn gegaan: André, Jan, Stijn, Laura, Katrien, Geert, Bart, Benny, Frank, Jos, Tinne, Chris, Sonia, Jeanine, André, Frank, Paul, Valère, Toon, Willi, Filip, Geert, Brecht, Guillaume, Stef, Bert, Felix, Víbe, Karen, Eva, Filip, Monique, Tine, Odilon, Josée, Veerle, Liliane, Rita, Solange, Annemie, Annie, Marc, Frank, Marie‑Christine, Marleen, Lieve, Ann, Mieke, Ingrid, Annie, Odette, Marleen en Annemie.

2 opmerkingen:

  1. Mijn naam is Marleen Baerveldt, vorm, Terneuzen, Nederland. Na 12 jaar huwelijk hebben mijn man en ik de ene of andere ruzie gehad totdat hij me uiteindelijk verliet en naar Californië verhuisde om bij een andere vrouw te zijn. Ik voelde dat mijn leven voorbij was en mijn kinderen dachten dat ze hun vader nooit meer zouden zien. ik probeerde sterk te zijn alleen voor de kinderen, maar ik kon de pijnen die mijn hart kwelden niet beheersen, mijn hart was vervuld van zorgen en pijnen omdat ik echt verliefd was op mijn man. Elke dag en nacht denk ik aan hem en ik wou altijd dat hij bij me terug zou komen, ik was echt overstuur en ik had hulp nodig, dus ik zocht online naar hulp en ik kwam op een website die suggereerde dat Dr. Osagiede kan helpen ex snel terug te krijgen . Dus ik vond dat ik hem eens moest proberen. Ik nam contact met hem op en hij vertelde me wat ik moest doen en ik deed het toen deed hij een liefdesbetovering voor mij. 48 uur later belde mijn man me echt en vertelde me dat hij me en de kinderen zo erg mist, zo geweldig !! Dus dat was hoe hij diezelfde dag terugkwam, met veel liefde en vreugde, en hij verontschuldigde zich voor zijn fout en voor de pijn die hij mij en de kinderen veroorzaakte. Vanaf die dag was ons huwelijk nu sterker dan voorheen, allemaal dankzij Dr. Osagiede. hij is zo krachtig en ik besloot mijn verhaal op internet te delen dat Dr. Osagiede echte en krachtige spell caster die ik altijd zal bidden om lang te leven om zijn kinderen te helpen in de tijd van problemen, als je hier bent en je hebt je ex nodig terug of je man verhuisde naar een andere vrouw, huil niet meer, neem nu contact op met deze krachtige spreukspeler. Hier is zijn e-mailadres voor contact op: doctorosagiede75@gmail.com of whatsapp op +2349014523836
    of viber +2349014523836

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ik wil gewoon dat de hele wereld weet over deze spreukenmaker die ik een tijdje geleden heb ontmoet, ik kan niet alles zeggen wat hij voor me deed. mijn man verliet me 3 jaar geleden met mijn kinderen Ik was op internet aan het surfen toen ik de getuigenis van deze geweldige man online ontmoette, ik besloot het te proberen en mijn man is nu terug en we zijn weer blij ik kan niet alles geven waarmee hij me heeft geholpen schriftelijk, alles wat ik kan zeggen is heel erg bedankt ik ben heel blij en hij verzekerde me dat hij veel magie doet, inclusief

    Love Spell
    Power-spreuk
    Succes spreuk
    Lot van zwangerschap
    Betovering van het huwelijk
    spreuk voor een goedbetaalde baan
    Beschermingsspreuk
    spreuk om een rechtszaak te winnen
    veel geluk etc.

    als je de hulp nodig hebt van de spreukmaker Dr. Ajayi, neem dan contact met hem op via dit e-mailadres (drajayi1990@gmail.com) of voeg hem toe op whatsapp +2347084887094 en bespreek je probleem met hem. Hij is een goede man en ik zal hem altijd dankbaar zijn.

    BeantwoordenVerwijderen